Robinson Crusoe

A book by Daniel Defoe.

[ More ParallelTexts | Source language: Dutch | Target language: English ]
The verbs of this paralleltext are marked as links.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe
The Life and Adventures of Robinson Crusoe
Daniel Defoe
Daniel Defoe
CHAPTER I—START IN LIFE
Ik ben geboren in de stad York, in 1632, van eene deftige familie, die daar echter niet inheemsch was. Mijn vader was van Bremen afkomstig en had zich eerst te Hull gevestigd. Na in den koophandel eene tamelijke fortuin verworven te hebben, liet hij dien varen en ging te York wonen, waar hij met mijne moeder trouwde, die tot eene deftige oude familie, Robinson genaamd, aldaar behoorde. Naar deze ontving ik den naam van Robinson Kreutznaer; maar door eene in Engeland niet ongewone verbastering van naam, noemde men ons, en noemen en schrijven wij zelven ons Crusoe; en mijne vrienden hebben mij nimmer anders dan onder dien naam gekend.
I was born in the year 1632, in the city of York, of a good family, though not of that country, my father being a foreigner of Bremen, who settled first at Hull. He got a good estate by merchandise, and leaving off his trade, lived afterwards at York, from whence he had married my mother, whose relations were named Robinson, a very good family in that country, and from whom I was called Robinson Kreutznaer; but, by the usual corruption of words in England, we are now called—nay we call ourselves and write our name—Crusoe; and so my companions always called me.
Ik had twee broeders, die ouder waren dan ik; de oudste diende als luitenant-kolonel bij een regement voetvolk in Vlaanderen, toen hij in den slag tegen de Spanjaarden bij Duinkerken sneuvelde. Ik heb nimmer vernomen wat er van mijn tweeden broeder geworden is, even als mijne ouders nimmer wisten waar ik gebleven was.
I had two elder brothers, one of whom was lieutenant-colonel to an English regiment of foot in Flanders, formerly commanded by the famous Colonel Lockhart, and was killed at the battle near Dunkirk against the Spaniards. What became of my second brother I never knew, any more than my father or mother knew what became of me.
Ik was de derde zoon en tot geenerlei bedrijf opgeleid, terwijl mijn hoofd reeds vroeg met allerlei luchtkasteelen opgevuld was. Mijn vader, die reeds hoog bejaard was, had mij zooveel onderrigt verschaft als hij kon, zoowel door zijne lessen te huis als door mij op eene school te laten gaan. Hij had mij tot een regtsgeleerde bestemd, maar ik dacht alleen aan ter zee te varen; en deze neiging maakte mij zoo doof voor de wenschen, zelfs voor de bevelen mijns vaders, en al het smeeken en afraden mijner moeder en mijner bloedverwanten, dat het scheen alsof hierin een zeker noodlot lag, dat mij aandreef tot het rampzalige leven, dat ik sedert geleid heb.
Being the third son of the family and not bred to any trade, my head began to be filled very early with rambling thoughts. My father, who was very ancient, had given me a competent share of learning, as far as house-education and a country free school generally go, and designed me for the law; but I would be satisfied with nothing but going to sea; and my inclination to this led me so strongly against the will, nay, the commands of my father, and against all the entreaties and persuasions of my mother and other friends, that there seemed to be something fatal in that propensity of nature, tending directly to the life of misery which was to befall me.
Mijn vader, een bezadigd en verstandig man, deed mij de ernstigste en uitmuntendste vertoogen, om mij van mijne voornemens af te brengen. Op een morgen riep hij mij tot zich in zijne kamer, die de jicht hem belette te verlaten, en onderhield mij dienaangaande op het nadrukkelijkst. " Welke redenen, " vroeg hij, " behalve de dwaze zucht om de wereld rond te zwerven, drijven u aan uw vaders huis en uw vaderland, waar gij voortgeholpen kunt worden, door uwe vlijt aangenaam leven, en een ruim bestaan kunt erlangen. Alleen menschen, die niets te verliezen hebben of die groote rijkdommen bezitten, mogen zich door gevaarlijke middelen rijkdom of beroemdheid verwerven; zulke middelen zijn ver boven u of ver beneden u. " Hij voegde er bij, dat ik tot den middelstand behoorde, dat is tot dien, welke den hoogsten trap onder de mindere klassen beslaat; een staat, die de ervaring hem geleerd had, dat de gelukkigste voor den mensch is; dewijl men er niet blootgesteld is aan den zwaren arbeid en de ontberingen, waaraan zij, die van hunnen handenarbeid leven, zich moeten onderwerpen, en te gelijker tijd bevrijd blijft van de weelde, en den hoogmoed, en de afgunst van iedereen, waaraan de grooten blootstaan. " Alleen hieruit, " zeide hij, " kunt gij over het geluk van dezen staat oordeelen, dat dikwijls koningen de treurige gevolgen van hunnen verheven stand hebben betreurd, en gewenscht, dat zij in het midden tusschen grootheid en geringheid waren geboren. Het beste boek getuigt ook van het geluk van dezen staat, als de wijze den Hemel smeekt hem noch armoede noch rijkdom te geven. "
My father, a wise and grave man, gave me serious and excellent counsel against what he foresaw was my design. He called me one morning into his chamber, where he was confined by the gout, and expostulated very warmly with me upon this subject. He asked me what reasons, more than a mere wandering inclination, I had for leaving father’s house and my native country, where I might be well introduced, and had a prospect of raising my fortune by application and industry, with a life of ease and pleasure. He told me it was men of desperate fortunes on one hand, or of aspiring, superior fortunes on the other, who went abroad upon adventures, to rise by enterprise, and make themselves famous in undertakings of a nature out of the common road; that these things were all either too far above me or too far below me; that mine was the middle state, or what might be called the upper station of low life, which he had found, by long experience, was the best state in the world, the most suited to human happiness, not exposed to the miseries and hardships, the labour and sufferings of the mechanic part of mankind, and not embarrassed with the pride, luxury, ambition, and envy of the upper part of mankind. He told me I might judge of the happiness of this state by this one thing—viz. that this was the state of life which all other people envied; that kings have frequently lamented the miserable consequence of being born to great things, and wished they had been placed in the middle of the two extremes, between the mean and the great; that the wise man gave his testimony to this, as the standard of felicity, when he prayed to have neither poverty nor riches.
Hij deed mij wijders opmerken, dat de zwaarste rampen gewoonlijk de hoogste en laagste standen der maatschappij troffen; maar dat de middelklasse de minste lotwisselingen onderging, en veel minder bloot stond aan een aantal ziekten en kwalen van ligchaam en geest, die bij de grooten door ondeugden, verwenning en onmatigheid, en aan den anderen kant bij de geringen door slecht voedsel, gebrek en zwaren arbeid, worden voortgebragt. " De middelstand, " zeide hij, " is volkomen geschikt om alle deugden te ontwikkelen, en alle soort van genoegens op te leveren; rust en overvloed zijn de natuurlijke gevolgen van een middelmatig fortuin; bezadigdheid, matigheid, gemoedsrust, alle maatschappelijke genoegens gaan daarmede gepaard. Langs dezen weg gaat men onopgemerkt en zonder moeite de wereld door, bevrijd van zwaren hand- en hoofdarbeid, niet gedoemd tot eene dagelijksche slavernij om zijn brood te verdienen, noch tot zulke ingewikkelde zaken, die de ziel van haren vrede, het ligchaam van zijne rust berooven; verwijderd van de knagingen der afgunst, niet verteerd door bedekte eerzucht; aldus wandelt men welgemoed het leven door, smaakt de zuiverste geneugten des levens, gevoelt zijn geluk en leert dagelijks zijn lot meer naar waarde schatten. " Hierop drong hij ernstig en op de liefderijkste wijze er bij mij op aan, dat ik niet als een loszinnige jongen zou handelen, en mij niet in ellenden zou storten, voor welke de natuur, en de staat waarin ik geboren was, mij behoedden. Hij zeide, dat ik niet noodig had mijn brood te zoeken, dat ik op zijne ondersteuning rekenen kon, en hij zijn best zou doen mij in den staat, dien hij mij zoo aangeprezen had, te stellen. " Zoo gij niet in een onbezorgden toestand geraakt, " zeide hij, " zal het alleen uw eigen schuld en ik er niet verantwoordelijk voor zijn. Ik heb mijn pligt gedaan door u te waarschuwen tegen stappen, die ik weet dat tot uw ongeluk leiden. In een woord, ik wil veel voor u doen, als gij u hier naar mijn wensen wilt nederzetten; maar ik wil niets tot uw ongeluk bijdragen, door u de uitvoering uwer voorgenomen zwerftogten gemakkelijk te maken. " Eindelijk hield hij mij het voorbeeld van mijn oudsten broeder voor oogen, bij wien hij dezelfde drangredenen had aangevoerd, om hem van zijn vertrek naar het leger in de Nederlanden terug te houden, waar hij zijn dood had gevonden. Hij verzekerde mij, dat hij nimmer zou ophouden voor mijn welzijn te bidden, maar dat hij mij durfde voorspellen, dat, zoo ik den onzinnigen stap, waartoe ik voornemens scheen, uitvoerde, ik niet op ' s Hemels zegen hopen mogt, en dat het naderhand mij eenmaal zou berouwen, dat ik zijn raad niet gevolgd had, als ik in het ongeluk geraakte en niemand mij te hulp kwam.
He bade me observe it, and I should always find that the calamities of life were shared among the upper and lower part of mankind, but that the middle station had the fewest disasters, and was not exposed to so many vicissitudes as the higher or lower part of mankind; nay, they were not subjected to so many distempers and uneasinesses, either of body or mind, as those were who, by vicious living, luxury, and extravagances on the one hand, or by hard labour, want of necessaries, and mean or insufficient diet on the other hand, bring distemper upon themselves by the natural consequences of their way of living; that the middle station of life was calculated for all kind of virtue and all kind of enjoyments; that peace and plenty were the handmaids of a middle fortune; that temperance, moderation, quietness, health, society, all agreeable diversions, and all desirable pleasures, were the blessings attending the middle station of life; that this way men went silently and smoothly through the world, and comfortably out of it, not embarrassed with the labours of the hands or of the head, not sold to a life of slavery for daily bread, nor harassed with perplexed circumstances, which rob the soul of peace and the body of rest, nor enraged with the passion of envy, or the secret burning lust of ambition for great things; but, in easy circumstances, sliding gently through the world, and sensibly tasting the sweets of living, without the bitter; feeling that they are happy, and learning by every day’s experience to know it more sensibly. After this he pressed me earnestly, and in the most affectionate manner, not to play the young man, nor to precipitate myself into miseries which nature, and the station of life I was born in, seemed to have provided against; that I was under no necessity of seeking my bread; that he would do well for me, and endeavour to enter me fairly into the station of life which he had just been recommending to me; and that if I was not very easy and happy in the world, it must be my mere fate or fault that must hinder it; and that he should have nothing to answer for, having thus discharged his duty in warning me against measures which he knew would be to my hurt; in a word, that as he would do very kind things for me if I would stay and settle at home as he directed, so he would not have so much hand in my misfortunes as to give me any encouragement to go away; and to close all, he told me I had my elder brother for an example, to whom he had used the same earnest persuasions to keep him from going into the Low Country wars, but could not prevail, his young desires prompting him to run into the army, where he was killed; and though he said he would not cease to pray for me, yet he would venture to say to me, that if I did take this foolish step, God would not bless me, and I should have leisure hereafter to reflect upon having neglected his counsel when there might be none to assist in my recovery.
Bij dit laatste deel van zijne rede, die inderdaad door de uitkomst volkomen bevestigd werd, schoon mijn vader dit zelf niet vermoeden kon, zag ik dat de tranen hem over het gelaat stroomden, vooral toen hij van mijn gesneuvelden broeder sprak; en toen hij van mijn berouw in later tijd gewaagde, en dat mij alsdan niemand zou te hulp komen, was hij zoo aangedaan, dat hij het gesprek afbrak, en mij verklaarde, dat zijn hart te vol was en hij niet meer spreken kon.
I observed in this last part of his discourse, which was truly prophetic, though I suppose my father did not know it to be so himself—I say, I observed the tears run down his face very plentifully, especially when he spoke of my brother who was killed: and that when he spoke of my having leisure to repent, and none to assist me, he was so moved that he broke off the discourse, and told me his heart was so full he could say no more to me.
Ik was ernstig getroffen door dit gesprek, en wie zou dit niet geweest zijn ? Ik besloot er niet meer aan te denken het land te verlaten, maar mij er, zoo als mijn vader verlangde, te vestigen. Maar helaas, in weinige dagen was deze indruk geheel uitgewischt, en om mijns vaders verwijtingen te ontgaan, vormde ik het besluit stilletjes de vlugt te nemen. Ik handelde echter niet zoo overijld, als mijne eigene drift mij wel aandreef. Ik maakte mij een oogenblik ten nutte, waarin mijne moeder mij beter geluimd dan gewoonlijk toescheen, om haar te bekennen, dat het verlangen, de wereld te zien, mijne ziel zoo geheel had ingenomen, dat het mij onmogelijk zou zijn mij op iets toe te leggen met die standvastigheid, die tot het welslagen vereischt wordt; dat mijn vader beter zou doen mij zijne toestemming te geven, dan mij te dwingen zonder dezelve te vertrekken; dat ik thans achttien jaren oud en het dus te laat was om als leerling bij een koopman, of klerk bij een regtsgeleerde te gaan, en dat, zoo ik mij tot het een of ander vak begaf, ik gewis dit vóór het einde van mijn leertijd zou vaarwel zeggen; en dat, zoo zij mijn vader wilde overhalen mij eene enkele reis buiten ' s lands te laten doen, ik bij mijne terugkomst, zoo deze levenswijs mij niet beviel, haar zou vaarwel zeggen, en door verdubbelde vlijt den verloren tijd inhalen.
I was sincerely affected with this discourse, and, indeed, who could be otherwise? and I resolved not to think of going abroad any more, but to settle at home according to my father’s desire. But alas! a few days wore it all off; and, in short, to prevent any of my father’s further importunities, in a few weeks after I resolved to run quite away from him. However, I did not act quite so hastily as the first heat of my resolution prompted; but I took my mother at a time when I thought her a little more pleasant than ordinary, and told her that my thoughts were so entirely bent upon seeing the world that I should never settle to anything with resolution enough to go through with it, and my father had better give me his consent than force me to go without it; that I was now eighteen years old, which was too late to go apprentice to a trade or clerk to an attorney; that I was sure if I did I should never serve out my time, but I should certainly run away from my master before my time was out, and go to sea; and if she would speak to my father to let me go one voyage abroad, if I came home again, and did not like it, I would go no more; and I would promise, by a double diligence, to recover the time that I had lost.
Bij deze mededeeling werd mijne moeder zeer boos. Zij zeide mij, dat het niet baten zou mijn vader hierover te spreken, want dat deze te wel mijn waar belang kende, om zulke schadelijke ontwerpen te bevorderen; zij begreep niet hoe ik er nog aan durfde denken, na hetgeen mijn vader mij had voorgehouden, en na de woorden van genegenheid, waarvan hij zich alstoen bediend had. " Wilt gij u overigens volstrekt ongelukkig maken, " zeide zij, " niemand kan het u beletten, maar gij kunt verzekerd zijn, dat wij daarin nimmer zullen toestemmen; wat mij betreft, ik zal nimmer tot uw verderf de hand leenen, en gij zult nimmer kunnen zeggen, dat uwe moeder goedvond wat uw vader afgekeurd heeft. "
This put my mother into a great passion; she told me she knew it would be to no purpose to speak to my father upon any such subject; that he knew too well what was my interest to give his consent to anything so much for my hurt; and that she wondered how I could think of any such thing after the discourse I had had with my father, and such kind and tender expressions as she knew my father had used to me; and that, in short, if I would ruin myself, there was no help for me; but I might depend I should never have their consent to it; that for her part she would not have so much hand in my destruction; and I should never have it to say that my mother was willing when my father was not.
Hoewel nu mijne moeder weigerde mijn voornemen aan mijn vader mede te deelen, heb ik naderhand vernomen, dat zij hem ons geheele gesprek had verhaald, en dat hij, na vele blijken van droefheid, gezegd had: " Dit kind kon zeer gelukkig leven als hij hier bleef; maar als hij ons verlaat, kan hij de ongelukkigste mensch der wereld worden; ik kan er niet in toestemmen. "
Though my mother refused to move it to my father, yet I heard afterwards that she reported all the discourse to him, and that my father, after showing a great concern at it, said to her, with a sigh, “That boy might be happy if he would stay at home; but if he goes abroad, he will be the most miserable wretch that ever was born: I can give no consent to it.”
Ik bleef nog bijkans een jaar in huis, zonder te trachten mijne boeijen te verbreken, maar altijd halsstarrig het oor sluitende voor elk voorstel, om mij op het een of ander toe te leggen. Dikwijls stelde ik mijnen ouders voor, dat zij verkeerd deden met zich zoo te verzetten tegen mijne besliste neiging. Eindelijk was ik eens te Hull, waar ik toevallig, en zonder oogmerk om weg te loopen, was heengegaan; en vond daar een mijner schoolmakkers, die over zee naar Londen ging in een schip, dat zijn vader toekwam. Hij noodigde mij uit hem te vergezellen, met de gewone drangreden van een zeeman, namelijk, dat de overtogt mij niets zou kosten. Zonder alstoen mijne ouders te raadplegen, zonder hen kennis te geven van mijn vertrek, liet ik het aan het toeval over, wanneer en op welke wijze zij hiervan berigt zouden bekomen; zonder te denken om mijns vaders zegen of dien van God te vragen, zonder op de omstandigheden of gevolgen van mijn stap te letten, en God weet het, te kwader ure, den 1en September 1651, begaf ik mij scheep op het naar Londen bestemde vaartuig. Nimmer begonnen de ongelukken van een jongen avonturier spoediger, noch duurden langer dan de mijne. Naauwelijks waren wij de haven uit, of de wind begon op te steken en de zee geweldig hoog te gaan; en daar ik voor de eerste maal op zee was, werd ik allerijsselijkst ziek en benaauwd. Ik begon thans ernstig te bedenken wat ik gedaan had, en ik gevoelde hoe welverdiend de straf was, die de Hemel mij toeschikte, omdat ik op eene zoo laakbare wijs mijn vaders huis en mijn pligt verlaten had. Al de goede raadgevingen mijner ouders, de tranen mijns vaders, de gebeden mijner moeder kwamen mij voor den geest, en mijn geweten, dat nog niet zoo verhard was als naderhand, verweet mij, dat ik wijzen raad veronachtzaamd, het vaderlijk gezag miskend en Gods wetten overtreden had.
It was not till almost a year after this that I broke loose, though, in the meantime, I continued obstinately deaf to all proposals of settling to business, and frequently expostulated with my father and mother about their being so positively determined against what they knew my inclinations prompted me to. But being one day at Hull, where I went casually, and without any purpose of making an elopement at that time; but, I say, being there, and one of my companions being about to sail to London in his father’s ship, and prompting me to go with them with the common allurement of seafaring men, that it should cost me nothing for my passage, I consulted neither father nor mother any more, nor so much as sent them word of it; but leaving them to hear of it as they might, without asking God’s blessing or my father’s, without any consideration of circumstances or consequences, and in an ill hour, God knows, on the 1st of September 1651, I went on board a ship bound for London. Never any young adventurer’s misfortunes, I believe, began sooner, or continued longer than mine. The ship was no sooner out of the Humber than the wind began to blow and the sea to rise in a most frightful manner; and, as I had never been at sea before, I was most inexpressibly sick in body and terrified in mind. I began now seriously to reflect upon what I had done, and how justly I was overtaken by the judgment of Heaven for my wicked leaving my father’s house, and abandoning my duty. All the good counsels of my parents, my father’s tears and my mother’s entreaties, came now fresh into my mind; and my conscience, which was not yet come to the pitch of hardness to which it has since, reproached me with the contempt of advice, and the breach of my duty to God and my father.
Middelerwijl werd de storm steeds heviger, en de zee begon zeer hoog te gaan, hoewel op verre na zoo niet, als ik het later meermalen heb gezien, en het weinige dagen daarna reeds bijwoonde, maar toch genoeg om iemand als ik, die nimmer op zee geweest was, angst aan te jagen. Bij elke golf verwachtte ik, dat zij ons zou inzwelgen, en als het schip van voren tot op den bodem der zee zonk, zoo als ik mij verbeeldde, dacht ik, dat het zich nimmer zou opheffen. In deze oogenblikken van angst deed ik menigmaal de gelofte, dat als het God behaagde mij op deze reis te sparen, ik, zoodra ik voet aan wal zette, dadelijk naar mijn vaders huis gaan en nimmer weder een schip betreden zou, maar mij naar zijn raad gedragen en mij nimmer weder in zulk gevaar begeven. Thans zag ik duidelijk hoe waar mijn vader gesproken had over den middelstand, hoe gerust hij zijne dagen gesleten had, evenzeer behoed voor de stormen des oceaans, als voor de zorg en onrust van het land. Ik besloot dus, met een opregt berouw, als de verloren zoon, naar mijn ouders huis terug te keeren.
All this while the storm increased, and the sea went very high, though nothing like what I have seen many times since; no, nor what I saw a few days after; but it was enough to affect me then, who was but a young sailor, and had never known anything of the matter. I expected every wave would have swallowed us up, and that every time the ship fell down, as I thought it did, in the trough or hollow of the sea, we should never rise more; in this agony of mind, I made many vows and resolutions that if it would please God to spare my life in this one voyage, if ever I got once my foot upon dry land again, I would go directly home to my father, and never set it into a ship again while I lived; that I would take his advice, and never run myself into such miseries as these any more. Now I saw plainly the goodness of his observations about the middle station of life, how easy, how comfortably he had lived all his days, and never had been exposed to tempests at sea or troubles on shore; and I resolved that I would, like a true repenting prodigal, go home to my father.
Deze goede en verstandige voornemens duurden zoo lang de storm aanhield en zelfs nog eenigen tijd daarna, maar den volgenden dag werd de wind bedaard, de zee werd kalm, en ik begon er mij aan te gewennen; echter was ik dien geheelen dag zeer ernstig, want ik was nog een weinig zeeziek. Tegen den avond klaarde de lucht op, de wind ging geheel liggen, en het werd een verrukkelijk schoone avond. De zon ging onbewolkt onder en even zoo den volgenden dag op. Hare stralen vielen op eene effene en kalme zee, een zacht windje dreef ons voort, en dit schouwspel scheen mij het heerlijkste wat ik immer zag.
These wise and sober thoughts continued all the while the storm lasted, and indeed some time after; but the next day the wind was abated, and the sea calmer, and I began to be a little inured to it; however, I was very grave for all that day, being also a little sea-sick still; but towards night the weather cleared up, the wind was quite over, and a charming fine evening followed; the sun went down perfectly clear, and rose so the next morning; and having little or no wind, and a smooth sea, the sun shining upon it, the sight was, as I thought, the most delightful that ever I saw.
Ik had goed geslapen; ik was niet ziek meer, en zag met eene vrolijke verbazing die zee, die gisteren zoo onstuimig en verschrikkelijk, en heden zoo schoon en rustig was. Mijn vriend, die mij werkelijk weggelokt had, en zeker vreesde, dat mijne goede voornemens zouden stand houden, kwam thans bij mij, en zeide: " Wel, Robinson, hoe gaat het u thans ? Ik wed dat gij gisteren, toen wij die bui hadden, bang waart ? " — " Noemt gij dat eene bui ? " vroeg ik; " het was waarachtig een verschrikkelijke storm."—"Een storm, domoor die gij zijt ! " hervatte hij, " het geleek er niet naar. Met een goed schip, en als wij in het ruime sop zijn, bekommeren wij ons weinig om zulke vlagen. Maar gij zijt een zoet-waterschipper, Robinson; eene kom punsch zal u dat alles doen vergeten. Zie eens welk verrukkelijk weder wij thans hebben. " Om bij dit droevig gedeelte van mijne geschiedenis niet langer stil te staan, zal ik alleen maar zeggen, dat wij deden als zoo vele zeelieden. De punsch werd gereed gemaakt, en mijn berouw over het verledene en al mijne wijze voornemens voor het toekomende, daarin verdronken. In een woord, gelijk de zee, na het ophouden van den storm, tot hare gewone kalmte terugkeerde, zoo hervatte ik, na bevrijd te zijn van de vrees, om door de zee verzwolgen te worden, mijne gewone wijze van denken, en vergat al de geloften, die ik gedurende mijn angst had afgelegd. Er waren echter nog oogenblikken, waarin de rede hare heerschappij trachtte te hernemen, maar ik verzette mij daartegen als tegen eene zwakheid, en terwijl ik mij aan den sterken drank en het gezelschap mijner makkers overgaf, geraakte ik weldra van deze vlagen, gelijk ik ze noemde, ontslagen. Na verloop van vijf of zes dagen had ik over mijn geweten eene zoo volkomene overwinning behaald, als een jongeling, die van deszelfs vermaningen ontslagen wenscht te zijn, slechts kon verlangen. Evenwel moest ik van dien kant nog een anderen aanval doorstaan, en gelijk gewoonlijk in zulke gevallen geschiedt, wilde de Voorzienigheid mij alle verontschuldigingen benemen; want zoo ik de genade des Hemels niet wilde erkennen in den afloop van de voorgaande gebeurtenis, was de volgende van dien aard, dat de verdorvenste en meest verharde onder ons, niet weigeren kon, er de kastijdende en reddende hand des Hemels in te zien.
I had slept well in the night, and was now no more sea-sick, but very cheerful, looking with wonder upon the sea that was so rough and terrible the day before, and could be so calm and so pleasant in so little a time after. And now, lest my good resolutions should continue, my companion, who had enticed me away, comes to me; “Well, Bob,” says he, clapping me upon the shoulder, “how do you do after it? I warrant you were frighted, wer’n’t you, last night, when it blew but a capful of wind?” “A capful d’you call it?” said I; “’twas a terrible storm.” “A storm, you fool you,” replies he; “do you call that a storm? why, it was nothing at all; give us but a good ship and sea-room, and we think nothing of such a squall of wind as that; but you’re but a fresh-water sailor, Bob. Come, let us make a bowl of punch, and we’ll forget all that; d’ye see what charming weather ’tis now?” To make short this sad part of my story, we went the way of all sailors; the punch was made and I was made half drunk with it: and in that one night’s wickedness I drowned all my repentance, all my reflections upon my past conduct, all my resolutions for the future. In a word, as the sea was returned to its smoothness of surface and settled calmness by the abatement of that storm, so the hurry of my thoughts being over, my fears and apprehensions of being swallowed up by the sea being forgotten, and the current of my former desires returned, I entirely forgot the vows and promises that I made in my distress. I found, indeed, some intervals of reflection; and the serious thoughts did, as it were, endeavour to return again sometimes; but I shook them off, and roused myself from them as it were from a distemper, and applying myself to drinking and company, soon mastered the return of those fits—for so I called them; and I had in five or six days got as complete a victory over conscience as any young fellow that resolved not to be troubled with it could desire. But I was to have another trial for it still; and Providence, as in such cases generally it does, resolved to leave me entirely without excuse; for if I would not take this for a deliverance, the next was to be such a one as the worst and most hardened wretch among us would confess both the danger and the mercy of.
Den zesden dag onzer reis kwamen wij op de reede van Yarmouth, daar de tegenwinden en windstilten ons niet veel hadden doen vorderen, sedert den storm. Wij waren verpligt op deze reede te ankeren, omdat de wind voor ons ongunstig was, dat wil zeggen, dat hij Z.W. bleef, gedurende zeven of acht dagen. Verscheidene groote schepen van New-Castle bleven daar om dezelfde reden als wij liggen. De wind, die eerst stevig, en vervolgens allerhevigst was, verhinderde ons den Teems op te varen;
The sixth day of our being at sea we came into Yarmouth Roads; the wind having been contrary and the weather calm, we had made but little way since the storm. Here we were obliged to come to an anchor, and here we lay, the wind continuing contrary—viz. at south-west—for seven or eight days, during which time a great many ships from Newcastle came into the same Roads, as the common harbour where the ships might wait for a wind for the river.
maar de ankergrond was goed (deze reede wordt zoo veilig geacht als eene haven ) en ons ankertouw was stevig; zoodat ons volk niet het minste gevaar duchtte en volgens de gewoonte der matrozen, den tijd sleet met allerlei vrolijkheid. Eindelijk werd den achtsten dag, des morgens, de wind zoo hevig, dat alle man aan het werk moest om de stengen te strijken, ten einde den wind zoo weinig vat als mogelijk te laten. Tegen den middag ging de zee vreesselijk hoog, ons schip kreeg verscheidene stortzeeën over, en eens of twee malen dachten wij dat het anker te huis kwam, zoodat de schipper besloot het plegtanker te laten vallen, waarop wij met twee ankers vooruit lagen en met de touwen tot aan het einde uitgestoken. Weldra stak er een allervreesselijkste orkaan op, en thans zag ik op de gezigten der matrozen zelve schrik en neêrslagtigheid.
We had not, however, rid here so long but we should have tided it up the river, but that the wind blew too fresh, and after we had lain four or five days, blew very hard. However, the Roads being reckoned as good as a harbour, the anchorage good, and our ground-tackle very strong, our men were unconcerned, and not in the least apprehensive of danger, but spent the time in rest and mirth, after the manner of the sea; but the eighth day, in the morning, the wind increased, and we had all hands at work to strike our topmasts, and make everything snug and close, that the ship might ride as easy as possible. By noon the sea went very high indeed, and our ship rode forecastle in, shipped several seas, and we thought once or twice our anchor had come home; upon which our master ordered out the sheet-anchor, so that we rode with two anchors ahead, and the cables veered out to the bitter end.
De kapitein hield zich ijverig met de zorg voor zijn vaartuig bezig, maar ik hoorde hem binnen ' s monds zeggen, terwijl hij digt langs mij heen, in de kajuit ging: " Heere, heb medelijden met ons ! het is met ons gedaan ! alles is verloren ! " en dergelijke uitdrukkingen meer. In de eerste oogenblikken van verwarring, was ik als verplet op de kooi in mijne hut nedergevallen. Wat ik gevoelde, zou ik onmogelijk kunnen beschrijven. Het kostte mij moeite mijn vorig berouw te herdenken, en ik trachtte mij daartegen te verharden. Ik zeide tot mijzelven, dat de eerste bitterheid van den angst voorbij was, en dat deze onrust niets zou zijn in vergelijking van de eerste. Maar toen ik den kapitein zelf hoorde zeggen, dat wij allen in gevaar waren van te vergaan, gevoelde ik een ontzettenden angst. Ik vloog uit de kajuit, sloeg de oogen rondom mij en zag een allerverschrikkelijkst schouwspel. De golven gingen berghoog, en braken om de drie of vier minuten over ons schip. Waar ik de oogen wendde zag ik niets dan nood. Twee zwaar geladen schepen, digt bij ons, hadden hunne masten tot op het dek gekapt, en de matrozen riepen dat een ander vaartuig, dat op eene mijl ongeveer voor ons lag, aan het zinken was. Twee anderen, die van hunne ankers geslagen waren, waren in zee gedreven, ten speelbal van wind en golven, daar geen hunner een mast had opstaan. De ligtste vaartuigen hadden het minst te lijden, doch van deze sloegen eenigen los en kwamen digt langs ons heen, terwijl zij met de fok alleen bijgezet, voor den wind afliepen.
By this time it blew a terrible storm indeed; and now I began to see terror and amazement in the faces even of the seamen themselves. The master, though vigilant in the business of preserving the ship, yet as he went in and out of his cabin by me, I could hear him softly to himself say, several times, “Lord be merciful to us! we shall be all lost! we shall be all undone!” and the like. During these first hurries I was stupid, lying still in my cabin, which was in the steerage, and cannot describe my temper: I could ill resume the first penitence which I had so apparently trampled upon and hardened myself against: I thought the bitterness of death had been past, and that this would be nothing like the first; but when the master himself came by me, as I said just now, and said we should be all lost, I was dreadfully frighted. I got up out of my cabin and looked out; but such a dismal sight I never saw: the sea ran mountains high, and broke upon us every three or four minutes; when I could look about, I could see nothing but distress round us; two ships that rode near us, we found, had cut their masts by the board, being deep laden; and our men cried out that a ship which rode about a mile ahead of us was foundered. Two more ships, being driven from their anchors, were run out of the Roads to sea, at all adventures, and that with not a mast standing. The light ships fared the best, as not so much labouring in the sea; but two or three of them drove, and came close by us, running away with only their spritsail out before the wind.
Tegen den avond verzochten de stuurman en de bootsman den kapitein, dat zij den fokkemast mogten kappen; waartoe hij weinig lust had; doch de bootsman beweerde, dat, zoo het niet gebeurde, het schip zinken moest. Toen het geschied was stond de groote mast zoo los, en gaf het schip zulke geweldige rukken, dat wij verpligt waren dien ook te kappen, en niets op het dek te laten.
Towards evening the mate and boatswain begged the master of our ship to let them cut away the fore-mast, which he was very unwilling to do; but the boatswain protesting to him that if he did not the ship would founder, he consented; and when they had cut away the fore-mast, the main-mast stood so loose, and shook the ship so much, they were obliged to cut that away also, and make a clear deck.
Men kan zich ligt voorstellen in welken toestand ik was, terwijl dit alles voorviel; ik, pas op zee gekomen, en die zoo kort geleden zoo veel angst had uitgestaan. Doch, bijaldien ik na een zoo lang tijdverloop, de denkbeelden, die mij toen bezig hielden, mij nog kan te binnen brengen, dunkt mij, dat mijn vorig berouw en de verstoktheid, waarmede ik dit had laten varen, mij tienmaal meer kwelling veroorzaakten, dan het naderen van den dood; deze denkbeelden, gevoegd bij het woeden van den storm, bragten mij in een toestand, die niet door woorden kan beschreven worden. Doch het ergste was nog niet gekomen. De storm bleef met zooveel woede aanhouden, dat de zeelieden zelf erkenden nimmer een heviger te hebben bijgewoond. Ons schip was goed, maar het was zwaar geladen, en het zonk zoo diep, dat de matrozen elk oogenblik riepen, dat het naar den bodem zou gaan. De storm was zoodanig, dat ik zag, wat men niet dikwijls ziet, den kapitein, den stuurman, den bootsman, en eenigen der verstandigsten van het volk, geknield hunne gebeden opzeggen en zich voorbereiden op een graf in den oceaan. Midden in den nacht, en bij al onzen nood, riep een van het volk, die hierom naar omlaag was gezonden, dat wij een lek hadden; een ander zeide, dat er vier voet water in het ruim stond. Daarop werd iedereen aan de pompen geroepen. Bij dit woord ontzonk mij het hart, en ik viel achterover, van den rand der kooi, waarop ik zat, in de hut. De matrozen echter riepen mij en zeiden, dat schoon ik tot hiertoe tot niets nut was geweest, ik thans even zeer in staat was te pompen als een ander. Ik stond dadelijk op, strompelde naar de pomp en ging ijverig aan het werk. Terwijl dit gebeurde, zag de kapitein eenige ligte kolenschepen, die niet in staat zijnde den storm uit te rijden, hunne ankers hadden laten glippen en naar zee gingen, terwijl zij digt langs ons heen liepen. Hij gaf last een noodschot te doen. Ik, die niet wist wat dit beteekende, dacht dat het schip in tweeën scheurde, of iets dergelijks; kortom ik ontstelde zoo, dat ik in flaauwte viel. Iedereen had thans genoeg aan zijn eigen leven te denken, niemand zag naar mij om, of dacht er aan wat er van mij geworden was; een ander kwam mij aan de pomp vervangen en stiet mij met zijn voet ter zijde, denkende, dat ik dood was, en het duurde lang voor ik weder tot mij zelve kwam.
Any one may judge what a condition I must be in at all this, who was but a young sailor, and who had been in such a fright before at but a little. But if I can express at this distance the thoughts I had about me at that time, I was in tenfold more horror of mind upon account of my former convictions, and the having returned from them to the resolutions I had wickedly taken at first, than I was at death itself; and these, added to the terror of the storm, put me into such a condition that I can by no words describe it. But the worst was not come yet; the storm continued with such fury that the seamen themselves acknowledged they had never seen a worse. We had a good ship, but she was deep laden, and wallowed in the sea, so that the seamen every now and then cried out she would founder. It was my advantage in one respect, that I did not know what they meant by _founder_ till I inquired. However, the storm was so violent that I saw, what is not often seen, the master, the boatswain, and some others more sensible than the rest, at their prayers, and expecting every moment when the ship would go to the bottom. In the middle of the night, and under all the rest of our distresses, one of the men that had been down to see cried out we had sprung a leak; another said there was four feet water in the hold. Then all hands were called to the pump. At that word, my heart, as I thought, died within me: and I fell backwards upon the side of my bed where I sat, into the cabin. However, the men roused me, and told me that I, that was able to do nothing before, was as well able to pump as another; at which I stirred up and went to the pump, and worked very heartily. While this was doing the master, seeing some light colliers, who, not able to ride out the storm were obliged to slip and run away to sea, and would come near us, ordered to fire a gun as a signal of distress. I, who knew nothing what they meant, thought the ship had broken, or some dreadful thing happened. In a word, I was so surprised that I fell down in a swoon. As this was a time when everybody had his own life to think of, nobody minded me, or what was become of me; but another man stepped up to the pump, and thrusting me aside with his foot, let me lie, thinking I had been dead; and it was a great while before I came to myself.
Wij werkten voort, maar het water klom. Het was blijkbaar, dat wij moesten zinken, en hoewel de storm een weinig bedaard was, was het niet mogelijk dat het schip drijvende kon blijven, totdat wij eene haven konden bereiken. De kapitein bleef derhalve noodseinen doen, en een klein schip, dat voor ons had gelegen, waagde het ons eene boot toe te zenden. Met het grootste gevaar naderde deze ons, maar het was ons onmogelijk er in te gaan, en voor de boot, bij ons op zijde te komen liggen; tot eindelijk het volk zoo hard roeide, dat zij met levensgevaar ons zoo nabij kwamen, dat wij een touw, met een boei er op gestoken, hun konden toewerpen; na veel moeite en gevaar maakten zij het vast, en wij haalden hen digt achter ons en gingen er allen in. Wij konden er niet aan denken het vaartuig, waarvan men ons te hulp was gekomen, te bereiken, en besloten dus de boot te laten drijven en zoo veel mogelijk haar naar den wal te roeijen, en onze kapitein beloofde, dat als de boot verbrijzelde, hij die aan hunnen kapitein zou betalen. Aldus kwamen wij deels roeijende, deels drijvende, bij Wintertonness aan wal.
We worked on; but the water increasing in the hold, it was apparent that the ship would founder; and though the storm began to abate a little, yet it was not possible she could swim till we might run into any port; so the master continued firing guns for help; and a light ship, who had rid it out just ahead of us, ventured a boat out to help us. It was with the utmost hazard the boat came near us; but it was impossible for us to get on board, or for the boat to lie near the ship’s side, till at last the men rowing very heartily, and venturing their lives to save ours, our men cast them a rope over the stern with a buoy to it, and then veered it out a great length, which they, after much labour and hazard, took hold of, and we hauled them close under our stern, and got all into their boat. It was to no purpose for them or us, after we were in the boat, to think of reaching their own ship; so all agreed to let her drive, and only to pull her in towards shore as much as we could; and our master promised them, that if the boat was staved upon shore, he would make it good to their master: so partly rowing and partly driving, our boat went away to the northward, sloping towards the shore almost as far as Winterton Ness.
Wij hadden geen kwartier ons schip verlaten of wij zagen het zinken. Toen de matrozen zeiden, dat het schip zinkende was, was de moed mij geheel ontzonken, en van het oogenblik af, dat ik meer in de boot gedragen dan geleid werd, bleef ik half dood, deels van schrik, deels van ontzetting, deels van vrees, voor hetgeen nog volgen zou.
We were not much more than a quarter of an hour out of our ship till we saw her sink, and then I understood for the first time what was meant by a ship foundering in the sea. I must acknowledge I had hardly eyes to look up when the seamen told me she was sinking; for from the moment that they rather put me into the boat than that I might be said to go in, my heart was, as it were, dead within me, partly with fright, partly with horror of mind, and the thoughts of what was yet before me.
Toen het volk aldus hard aan het roeijen was, om de boot strandwaarts te brengen, zagen wij, als eene golf onze sloep ophief, eene menigte volks langs het strand loopen, om ons te hulp te schieten, als wij digter bij zouden komen. Wij naderden echter slechts langzaam het strand, en bereikten het eerst voorbij de vuurtoren van Winterton, waar het strand westwaarts inloopt, en hierdoor een weinig het geweld van den wind breekt. Niet zonder veel moeite kwamen wij eindelijk behouden aan wal, en begaven ons te voet naar Yarmouth. Wij werden daar met veel menschlievendheid behandeld; zoowel door de overheid als door de kooplieden en reeders van schepen, die geld bijeen bragten, dat voor ons voldoende was, om naar Londen of terug naar Hull te gaan.
While we were in this condition—the men yet labouring at the oar to bring the boat near the shore—we could see (when, our boat mounting the waves, we were able to see the shore) a great many people running along the strand to assist us when we should come near; but we made but slow way towards the shore; nor were we able to reach the shore till, being past the lighthouse at Winterton, the shore falls off to the westward towards Cromer, and so the land broke off a little the violence of the wind. Here we got in, and though not without much difficulty, got all safe on shore, and walked afterwards on foot to Yarmouth, where, as unfortunate men, we were used with great humanity, as well by the magistrates of the town, who assigned us good quarters, as by particular merchants and owners of ships, and had money given us sufficient to carry us either to London or back to Hull as we thought fit.
Was ik nu zoo verstandig geweest, naar Hull terug en vandaar naar huis te gaan, ik ware gelukkig geweest, en mijn vader zou, even als die in de gelijkenis van den verloren zoon, zelfs het gemeste kalf geslagt hebben; want na gehoord te hebben dat het schip, waarop ik gegaan was, op de reede van Yarmouth was verbrijzeld, duurde het lang, alvorens hij vernam dat ik niet verdronken was.
Had I now had the sense to have gone back to Hull, and have gone home, I had been happy, and my father, as in our blessed Saviour’s parable, had even killed the fatted calf for me; for hearing the ship I went away in was cast away in Yarmouth Roads, it was a great while before he had any assurances that I was not drowned.
Doch mijn ongelukkig noodlot dreef mij met onweerstaanbaar geweld voort; en schoon in bezadigde oogenblikken mijne rede en mijn gezond oordeel mij aanrieden, naar het ouderlijk huis te gaan, kon ik er niet toe besluiten. Ik weet niet hoe ik dit noemen zal; ik wil ook niet beweren, dat eene geheime magt ons aandrijft ons in ons verderf te storten, al is het dat het bloot voor ons ligt en wij er met open oogen ons in begeven. Zeker kon niets dan eene allerkrachtigste magt mij op de betredene baan voortdrijven, in weerwil van de grondigste bewijzen, de blijkbaarste redenen daartegen, en de onloochenbare waarschuwingen, die ik bij mijne eerste onderneming had ondervonden.
But my ill fate pushed me on now with an obstinacy that nothing could resist; and though I had several times loud calls from my reason and my more composed judgment to go home, yet I had no power to do it. I know not what to call this, nor will I urge that it is a secret overruling decree, that hurries us on to be the instruments of our own destruction, even though it be before us, and that we rush upon it with our eyes open. Certainly, nothing but some such decreed unavoidable misery, which it was impossible for me to escape, could have pushed me forward against the calm reasonings and persuasions of my most retired thoughts, and against two such visible instructions as I had met with in my first attempt.
Mijn vriend, de zoon van den kapitein, die mij vroeger geholpen had de vermaningen van mijn geweten te smoren, was thans schroomvalliger dan ik. Daar wij ieder aan het ander einde der stad onder dak gekomen waren, was ik reeds twee of drie dagen te Yarmouth, alvorens ik hem ontmoette. Met eene geheel andere stem dan vroeger, vroeg hij mij, op een treurigen toon, hoe ik voer. Hij zeide daarop aan zijn vader wie ik was, en dat dit mijne eerste reis was tot een proef, om naderhand buiten ' s lands te gaan. Zijn vader keerde zich tot mij, en zeide op een ernstigen en treffenden toon: " Jongeling, gij moest nimmer weder naar zee gaan; gij behoort dit als een zigtbaar teeken te beschouwen, dat gij niet tot een zeeman bestemd zijt."—"Hoe zoo, mijnheer, " zeide ik, " zult gij dan niet weder naar zee gaan ? " — " Dat is iets anders, " hernam hij, " het is mijn beroep, en dus mijn pligt; maar als dit een proefreisje van u was, hebt gij een voorsmaak van hetgeen de Hemel u bestemd heeft, als gij in uw voornemen volhardt. Misschien zijn al deze ongelukken ons om uwentwil overkomen, even als Jona het vergaan van het schip van Tarsis verwekte. Zeg mij, bid ik u, wie zijt gij, en waarom gingt gij op zee ? " — Ik verhaalde hem het een en ander van mij, en toen ik geëindigd had, riep hij driftig: " Wat heb ik gedaan, dat zulk een rampzalige bij mij aan boord moest komen ? Voor geen duizend pond zou ik weder een voet met u op hetzelfde schip willen zetten ! " Deze uitbarsting was zekerlijk een gevolg van zijn geleden verlies, en meer dan hij zeggen mogt. Echter sprak hij vervolgens zeer bezadigd tot mij, en vermaande mij naar mijn vader terug te keeren en de Voorzienigheid niet te verzoeken, die zich zigtbaar tegen mijn voornemen verklaard had. " Wees verzekerd, jongeling, " zeide hij, " dat, zoo gij niet terugkeert, gij overal teleurstellingen en tegenspoed zult ondervinden, en de voorspellingen uws vaders nopens u vervuld zullen worden. "
My comrade, who had helped to harden me before, and who was the master’s son, was now less forward than I. The first time he spoke to me after we were at Yarmouth, which was not till two or three days, for we were separated in the town to several quarters; I say, the first time he saw me, it appeared his tone was altered; and, looking very melancholy, and shaking his head, he asked me how I did, and telling his father who I was, and how I had come this voyage only for a trial, in order to go further abroad, his father, turning to me with a very grave and concerned tone “Young man,” says he, “you ought never to go to sea any more; you ought to take this for a plain and visible token that you are not to be a seafaring man.” “Why, sir,” said I, “will you go to sea no more?” “That is another case,” said he; “it is my calling, and therefore my duty; but as you made this voyage on trial, you see what a taste Heaven has given you of what you are to expect if you persist. Perhaps this has all befallen us on your account, like Jonah in the ship of Tarshish. Pray,” continues he, “what are you; and on what account did you go to sea?” Upon that I told him some of my story; at the end of which he burst out into a strange kind of passion: “What had I done,” says he, “that such an unhappy wretch should come into my ship? I would not set my foot in the same ship with thee again for a thousand pounds.” This indeed was, as I said, an excursion of his spirits, which were yet agitated by the sense of his loss, and was farther than he could have authority to go. However, he afterwards talked very gravely to me, exhorting me to go back to my father, and not tempt Providence to my ruin, telling me I might see a visible hand of Heaven against me. “And, young man,” said he, “depend upon it, if you do not go back, wherever you go, you will meet with nothing but disasters and disappointments, till your father’s words are fulfilled upon you.”
— Ik antwoordde hem weinig, en spoedig daarna scheidden wij; ik weet niet waar hij heengegaan is. Ik, die een weinig geld in den zak had, ging over land naar Londen, en zoowel onder weg als toen ik daar was, had ik een harden tweestrijd, welke levenswijze ik thans zou aanvangen, of ik naar mijns vaders huis of naar zee zou gaan.
We parted soon after; for I made him little answer, and I saw him no more; which way he went I knew not. As for me, having some money in my pocket, I travelled to London by land; and there, as well as on the road, had many struggles with myself what course of life I should take, and whether I should go home or to sea.
Wat betreft het naar huis gaan: de schaamte weerstond de beste redenen daartoe; ik stelde mij voor hoe onze bekenden mij zouden uitlagchen, en hoe beschaamd ik zijn zou, niet alleen om mijne ouders, maar ieder ander onder de oogen te treden. Later heb ik dikwijls opgemerkt, hoe eenzijdig en onverstandig de mensch, bijzonder de jeugd, is, namelijk, dat zij meer schaamte over het berouw dan over hare misstappen gevoelt, en dat zij niet over hare dwaasheden bloost, maar wel zoo zij die varen laat.
As to going home, shame opposed the best motions that offered to my thoughts, and it immediately occurred to me how I should be laughed at among the neighbours, and should be ashamed to see, not my father and mother only, but even everybody else; from whence I have since often observed, how incongruous and irrational the common temper of mankind is, especially of youth, to that reason which ought to guide them in such cases—viz. that they are not ashamed to sin, and yet are ashamed to repent; not ashamed of the action for which they ought justly to be esteemed fools, but are ashamed of the returning, which only can make them be esteemed wise men.
In this state of life, however, I remained some time, uncertain what measures to take, and what course of life to lead. An irresistible reluctance continued to going home; and as I stayed away a while, the remembrance of the distress I had been in wore off, and as that abated, the little motion I had in my desires to return wore off with it, till at last I quite laid aside the thoughts of it, and looked out for a voyage.
CHAPTER II—SLAVERY AND ESCAPE
Ik bleef eenigen tijd weifelend welken weg ik zou inslaan. Ik gevoelde grooten weerzin in naar huis terug te keeren, en naar gelang het geheugen mijner tegenspoeden verflaauwde, vermeerderde deze, tot ik eindelijk alle denkbeeld daaraan varen liet, en ik aan boord ging van een schip, dat naar de Afrikaansche, of gelijk men gewoonlijk zegt, naar de Goudkust, bestemd was.
That evil influence which carried me first away from my father’s house—which hurried me into the wild and indigested notion of raising my fortune, and that impressed those conceits so forcibly upon me as to make me deaf to all good advice, and to the entreaties and even the commands of my father—I say, the same influence, whatever it was, presented the most unfortunate of all enterprises to my view; and I went on board a vessel bound to the coast of Africa; or, as our sailors vulgarly called it, a voyage to Guinea.
Mijn grootste ongeluk bij al deze avonturen, was, dat ik niet als matroos scheep ging; ik had dan wel wat zwaarder moeten werken, maar zou te gelijker tijd het scheepswerk geleerd, en mij voor onder- of opperstuurman, of zelfs voor kapitein bekwaam gemaakt hebben. Maar steeds was het mijn lot den verkeerden weg in te slaan, zoo als ook hier geschiedde. Ik had nu geld op zak en goede kleederen aan, en wilde dus altijd als een heer scheep gaan; hier had ik niets te doen en leerde dus ook niets.
It was my great misfortune that in all these adventures I did not ship myself as a sailor; when, though I might indeed have worked a little harder than ordinary, yet at the same time I should have learnt the duty and office of a fore-mast man, and in time might have qualified myself for a mate or lieutenant, if not for a master. But as it was always my fate to choose for the worse, so I did here; for having money in my pocket and good clothes upon my back, I would always go on board in the habit of a gentleman; and so I neither had any business in the ship, nor learned to do any.
Bij mijne komst te Londen was ik zoo gelukkig in goed gezelschap te geraken, hetgeen een loszinnig jongeling zonder opzigt, gelijk ik, niet altoos te beurt valt. Mijne eerste kennismaking was met den kapitein van een schip, die van de kust van Guinea teruggekomen was, en eene goede reis gemaakt en dus besloten had derwaarts terug te keeren. Mijn voorkomen geviel dezen man, en daar hij van mij hoorde, dat ik verlangde de wereld te zien, zeide hij, dat, zoo ik met hem wilde gaan, het mij niets kosten zou; ik kon aan zijne tafel eten, en zoo ik eenige koopwaren wilde medenemen, die zoo voordeelig mogelijk trachten te verkoopen; misschien met zoo veel winst, dat dit mij voor liet vervolg aanmoediging gaf.
It was my lot first of all to fall into pretty good company in London, which does not always happen to such loose and misguided young fellows as I then was; the devil generally not omitting to lay some snare for them very early; but it was not so with me. I first got acquainted with the master of a ship who had been on the coast of Guinea; and who, having had very good success there, was resolved to go again. This captain taking a fancy to my conversation, which was not at all disagreeable at that time, hearing me say I had a mind to see the world, told me if I would go the voyage with him I should be at no expense; I should be his messmate and his companion; and if I could carry anything with me, I should have all the advantage of it that the trade would admit; and perhaps I might meet with some encouragement.
Ik nam dit aan, en hechtte mij naauw aan den kapitein, die een eerlijk en rondborstig man was. Ik deed de reis met hem, en nam eenige goederen op avontuur mede; want ik besteedde ongeveer 40 [ £ ] Sterl. aan zoodanige snuisterijen als hij mij opgaf. Deze 40 [ £ ] Sterl. had ik bijeengebragt door behulp van eenige mijner bloedverwanten, waarmede ik briefwisseling hield en die, geloof ik, mijn vader, of althans mijne moeder, overgehaald hadden mij die som af te staan.
I embraced the offer; and entering into a strict friendship with this captain, who was an honest, plain-dealing man, I went the voyage with him, and carried a small adventure with me, which, by the disinterested honesty of my friend the captain, I increased very considerably; for I carried about £40 in such toys and trifles as the captain directed me to buy. These £40 I had mustered together by the assistance of some of my relations whom I corresponded with; and who, I believe, got my father, or at least my mother, to contribute so much as that to my first adventure.
Dit was, mag ik zeggen, van al mijne avonturen, de eenigste gelukkige reis, hetgeen ik aan mijn vriend, den kapitein te danken had, van wien ik eene tamelijke kennis der wiskunde en van de stuurmanskunst leerde. Ook leerde hij mij het journaal houden, het bestek opmaken, kortom al wat een zeeman noodig heeft; want hij had even veel vermaak in mij te onderrigten, als ik in het leeren. In een woord, deze reis maakte van mij een zeeman en een koopman; want ik bragt vijf pond negen oncen goudstof voor mijne goederen mede, die mij te Londen 300 guinjes opbragten. Dit boezemde mij die begeerlijke denkbeelden in, die mij later in het verderf hebben gestort.
This was the only voyage which I may say was successful in all my adventures, which I owe to the integrity and honesty of my friend the captain; under whom also I got a competent knowledge of the mathematics and the rules of navigation, learned how to keep an account of the ship’s course, take an observation, and, in short, to understand some things that were needful to be understood by a sailor; for, as he took delight to instruct me, I took delight to learn; and, in a word, this voyage made me both a sailor and a merchant; for I brought home five pounds nine ounces of gold-dust for my adventure, which yielded me in London, at my return, almost £300; and this filled me with those aspiring thoughts which have since so completed my ruin.
Echter bleef ik op deze reis zelfs niet van tegenspoed bevrijd, bijzonder was ik op de kust schier aanhoudend ziek door de geweldige hitte, die mij eene heete koorts op het lijf joeg.
Yet even in this voyage I had my misfortunes too; particularly, that I was continually sick, being thrown into a violent calenture by the excessive heat of the climate; our principal trading being upon the coast, from latitude of 15 degrees north even to the line itself.
Ik was dus thans koopman op de kust van Guinea, en daar mijn vriend ongelukkig, kort na zijne aankomst, overleden was, besloot ik op zijn schip, waar de stuurman thans kapitein op geworden was, eene tweede reis te doen. Nimmer deed iemand ongelukkiger reis. Ik nam slechts voor 100 [ £ ] Sterl. mede en liet de overige 200 bij mijn vriends weduwe achter, doch ik onderging vreesselijke tegenspoeden. Eerst toen wij op de hoogte der Kanarische eilanden, of liever, tusschen deze en de Afrikaansche kust waren, werden wij in den vroegen morgen een Moorschen roover van Salé gewaar. Hij maakte jagt op ons, met alle zeilen bijgezet. Wij zetten ook zoo veel zeilen bij als wij konden voeren; doch bespeurende, dat de roover op ons won en ons zeker binnen weinige uren bereiken zou, maakten wij ons gereed om te slaan. Wij hadden twaalf stukken en de roover achttien. Tegen drie uren des middags was hij bij ons; maar daar hij door een misslag ons op zijde kwam, in plaats van achter onzen spiegel, bragten wij acht stukken aan die zijde en gaven hem daarmede de volle laag, die hem deed afhouden, na ons de laag en het klein geweervuur van tweehonderd man gegeven te hebben. Niemand was echter bij ons getroffen, daar al ons volk zich omlaag hield. Hij maakte zich tot een nieuwen aanval, en wij tot verdediging gereed; doch toen hij ons op de andere zijde aan boord kwam, enterde hij met negentig man, die dadelijk het tuig kapten en het dek. Twee maal dreven wij hen met klein geweervuur, halve pieken, handgranaten, enz., van ons dek af. Eindelijk echter, om deze treurige geschiedenis te bekorten, was ons schip reddeloos, twee of drie van ons volk gedood en acht gewond; en wij, genoodzaakt ons over te geven, werden allen als gevangenen in Salé, eene Moorsche haven op de Barbarijsche kust, binnengebragt.
I was now set up for a Guinea trader; and my friend, to my great misfortune, dying soon after his arrival, I resolved to go the same voyage again, and I embarked in the same vessel with one who was his mate in the former voyage, and had now got the command of the ship. This was the unhappiest voyage that ever man made; for though I did not carry quite £100 of my new-gained wealth, so that I had £200 left, which I had lodged with my friend’s widow, who was very just to me, yet I fell into terrible misfortunes. The first was this: our ship making her course towards the Canary Islands, or rather between those islands and the African shore, was surprised in the grey of the morning by a Turkish rover of Sallee, who gave chase to us with all the sail she could make. We crowded also as much canvas as our yards would spread, or our masts carry, to get clear; but finding the pirate gained upon us, and would certainly come up with us in a few hours, we prepared to fight; our ship having twelve guns, and the rogue eighteen. About three in the afternoon he came up with us, and bringing to, by mistake, just athwart our quarter, instead of athwart our stern, as he intended, we brought eight of our guns to bear on that side, and poured in a broadside upon him, which made him sheer off again, after returning our fire, and pouring in also his small shot from near two hundred men which he had on board. However, we had not a man touched, all our men keeping close. He prepared to attack us again, and we to defend ourselves. But laying us on board the next time upon our other quarter, he entered sixty men upon our decks, who immediately fell to cutting and hacking the sails and rigging. We plied them with small shot, half-pikes, powder-chests, and such like, and cleared our deck of them twice. However, to cut short this melancholy part of our story, our ship being disabled, and three of our men killed, and eight wounded, we were obliged to yield, and were carried all prisoners into Sallee, a port belonging to the Moors.
De Mooren behandelden mij niet zoo verschrikkelijk als ik gevreesd had, en ik werd niet, zoo als al de overigen, naar den keizer gebragt; maar door den kapitein van den kaper tot zijn slaaf genomen, daar ik jong en vlug was en hij begreep dienst van mij te zullen hebben. Bij deze droevige lotwisseling, van een koopman in een armen slaaf, was ik als verplet; en thans herinnerde ik mij mijns vaders voorzegging dat ik ongelukkig worden, en niemand mij troosten zou. Ik dacht, dat dit oogenblik thans gekomen en de straffende hand des Hemels op mij lag. Helaas, het was slechts eene voorproef van de ellende die mij in ' t vervolg te wachten stond.
The usage I had there was not so dreadful as at first I apprehended; nor was I carried up the country to the emperor’s court, as the rest of our men were, but was kept by the captain of the rover as his proper prize, and made his slave, being young and nimble, and fit for his business. At this surprising change of my circumstances, from a merchant to a miserable slave, I was perfectly overwhelmed; and now I looked back upon my father’s prophetic discourse to me, that I should be miserable and have none to relieve me, which I thought was now so effectually brought to pass that I could not be worse; for now the hand of Heaven had overtaken me, and I was undone without redemption; but, alas! this was but a taste of the misery I was to go through, as will appear in the sequel of this story.
Daar mijn meester mij met zich naar zijn huis genomen had, hoopte ik dat hij mij mede naar zee zou nemen; en dat hij dan te eeniger tijd door een Spaansch of Portugeesch schip genomen worden en ik mijne vrijheid hierdoor verkrijgen zou. Doch deze hoop verdween spoedig, want toen hij in zee stak, liet hij mij aan den wal om zijn tuintje in orde te houden en het gewone huiswerk der slaven te verrigten; en toen hij van zijn kruistogt terug kwam, liet hij mij aan boord slapen om op het schip te passen.
As my new patron, or master, had taken me home to his house, so I was in hopes that he would take me with him when he went to sea again, believing that it would some time or other be his fate to be taken by a Spanish or Portugal man-of-war; and that then I should be set at liberty. But this hope of mine was soon taken away; for when he went to sea, he left me on shore to look after his little garden, and do the common drudgery of slaves about his house; and when he came home again from his cruise, he ordered me to lie in the cabin to look after the ship.
Ik dacht aan niets dan aan de vlugt, maar hoe ik zon, ik kon geen uitvoerlijk middel uitdenken, en ik had niemand met wien ik overleggen of die met mij gaan kon, want buiten mij was er geen enkele Engelschman, Ier of Schot. Twee jaren lang bleef ik dan ook het denkbeeld, van te ontvlugten, koesteren, zonder dat zich immer eene gunstige gelegenheid voordeed, het uit te voeren.
Here I meditated nothing but my escape, and what method I might take to effect it, but found no way that had the least probability in it; nothing presented to make the supposition of it rational; for I had nobody to communicate it to that would embark with me—no fellow-slave, no Englishman, Irishman, or Scotchman there but myself; so that for two years, though I often pleased myself with the imagination, yet I never had the least encouraging prospect of putting it in practice.
Na twee jaren verlevendigde eene gebeurtenis weder al mijne gedachten van ontvlugting. Mijn meester bleef langer tijd dan gewoonlijk aan wal, zonder zijn schip uit te rusten, uit gebrek aan geld, naar ik hoorde, en in dien tijd ging hij een paar malen ' s weeks en meer, als het goed weder was, met de scheepspinas op de reede visschen. Hij nam dan altijd mij en een jongen Moor mede om te roeijen; wij trachtten dan hem te vermaken, en daar ik behendig en gelukkig in het visschen was, zond hij mij somtijds, als hij visch verlangde, met een zijner bloedverwanten en den knaap op de vischvangst uit.
After about two years, an odd circumstance presented itself, which put the old thought of making some attempt for my liberty again in my head. My patron lying at home longer than usual without fitting out his ship, which, as I heard, was for want of money, he used constantly, once or twice a week, sometimes oftener if the weather was fair, to take the ship’s pinnace and go out into the road a-fishing; and as he always took me and young Maresco with him to row the boat, we made him very merry, and I proved very dexterous in catching fish; insomuch that sometimes he would send me with a Moor, one of his kinsmen, and the youth—the Maresco, as they called him—to catch a dish of fish for him.
Op een morgen waren wij bij stil weder met hem uit visschen, toen er plotseling zulk een dikke mist opkwam, dat wij de kust uit het oog verloren, schoon wij er geene halve mijl van af waren. Wij roeiden dus den geheelen dag en nacht, zonder te weten waarheen, en toen de zon opkwam zagen wij, dat wij zeewaarts, in plaats van naar den wal, geroeid hadden, en er wel twee mijlen van af waren. Wij kwamen behouden weder binnen, schoon niet zonder gevaar en met zwaar werken; en bovenal duchtig uitgehongerd.
It happened one time, that going a-fishing in a calm morning, a fog rose so thick that, though we were not half a league from the shore, we lost sight of it; and rowing we knew not whither or which way, we laboured all day, and all the next night; and when the morning came we found we had pulled off to sea instead of pulling in for the shore; and that we were at least two leagues from the shore. However, we got well in again, though with a great deal of labour and some danger; for the wind began to blow pretty fresh in the morning; but we were all very hungry.
Hierdoor geleerd, besloot de kapitein in het vervolg voorzigtiger te zijn, en daar hij de groote boot van ons schip medegenomen had, besloot hij niet meer zonder een kompas en eenige mondbehoeften uit visschen te gaan. Hij gelastte hierom zijn scheepstimmerman (een Engelsche slaaf even als ik ), midden in de boot eene hut of roef te bouwen, even als van een tentjagtje, van achteren met een stuurstoel en van voren plaats voor een paar man, om de zeilen te hanteren. Deze boot voerde een latijn- of driehoekig zeil, en de giek liep over de tent, waarin hij met een paar slaven zitten en slapen kon, en een tafel had om aan te eten en eenige kastjes, om eenige flesschen drank, benevens rijst, brood en koffij te bewaren.
But our patron, warned by this disaster, resolved to take more care of himself for the future; and having lying by him the longboat of our English ship that he had taken, he resolved he would not go a-fishing any more without a compass and some provision; so he ordered the carpenter of his ship, who also was an English slave, to build a little state-room, or cabin, in the middle of the long-boat, like that of a barge, with a place to stand behind it to steer, and haul home the main-sheet; the room before for a hand or two to stand and work the sails. She sailed with what we call a shoulder-of-mutton sail; and the boom jibed over the top of the cabin, which lay very snug and low, and had in it room for him to lie, with a slave or two, and a table to eat on, with some small lockers to put in some bottles of such liquor as he thought fit to drink; and his bread, rice, and coffee.
Met deze boot gingen wij dikwijls uit visschen, en daar ik zeer bedreven er in was, nam hij mij altijd mede. Op zekeren dag zou ik er mede uitgaan, hetzij om te visschen of alleen tot vermaak, met twee of drie Mooren van eenigen rang. Hij had derhalve den vorigen avond veel meer mondbehoeften dan gewoonlijk aan boord gezonden, en mij gelast drie geweren met kruid en lood, die aan boord van het schip waren, gereed te leggen, om tevens eenig gevogelte te kunnen schieten.
We went frequently out with this boat a-fishing; and as I was most dexterous to catch fish for him, he never went without me. It happened that he had appointed to go out in this boat, either for pleasure or for fish, with two or three Moors of some distinction in that place, and for whom he had provided extraordinarily, and had, therefore, sent on board the boat overnight a larger store of provisions than ordinary; and had ordered me to get ready three fusees with powder and shot, which were on board his ship, for that they designed some sport of fowling as well as fishing.
Ik maakte alles gereed en den volgenden morgen lag de boot schoon gemaakt, en met vlag en wimpel, mijn meester en zijne gasten af te wachten, toen de eerste alleen kwam en mij zeide, dat zijne gasten door bezigheden verhinderd werden; ik moest dus maar met den matroos en den jongen, volgens gewoonte, uit visschen gaan, want zijne vrienden zouden het avondmaal bij hem komen gebruiken. Zoodra ik eenigen visch had, moest ik naar huis keeren en hem dien brengen.
I got all things ready as he had directed, and waited the next morning with the boat washed clean, her ancient and pendants out, and everything to accommodate his guests; when by-and-by my patron came on board alone, and told me his guests had put off going from some business that fell out, and ordered me, with the man and boy, as usual, to go out with the boat and catch them some fish, for that his friends were to sup at his house, and commanded that as soon as I got some fish I should bring it home to his house; all which I prepared to do.
Thans kwam het oude denkbeeld van te ontvlugten bij mij weder boven. Nu ik een vaartuig had en mijn meester weg was, maakte ik alles gereed, niet om te visschen, maar voor eene reis. Ik wist wel niet waarheen ik den steven zou wenden, maar hieraan bekreunde ik mij niet, zoo ik slechts vandaar weg kwam.
This moment my former notions of deliverance darted into my thoughts, for now I found I was likely to have a little ship at my command; and my master being gone, I prepared to furnish myself, not for fishing business, but for a voyage; though I knew not, neither did I so much as consider, whither I should steer—anywhere to get out of that place was my desire.
Eerst zocht ik een voorwendsel, om den Moor over te halen, dat hij wat eten aan boord bragt; ik zeide hem, dat het ons niet paste het eten van onzen meester aan te spreken. Dat is waar, zeide hij, en bragt een grooten zak roesk, of Moorsche beschuit, en drie groote kruiken met water in de boot. Ik wist waar mijn meesters likeurkist stond, die, naar het maaksel te zien, uit een Engelschen prijs afkomstig was, en bragt die aan boord terwijl de Moor aan den wal was. Ook nam ik nog een klomp was van wel vijftig pond aan boord, om kaarsen van te maken, met een pak garen, eene bijl, een zaag, en een hamer, ' t geen ons alles naderhand voortreffelijk te pas kwam, vooral het was. Ik spande mijn makker nog een strik, naar hij argeloos in liep. " Muley, " zeide ik, " de geweren van onzen meester zijn aan boord; zoo gij wat kruid en lood verschaffen kondt, zouden wij misschien voor ons eenige alkamis (eene soort van wulpen ) kunnen schieten, want ik weet dat er kruid en lood aan boord van het schip is."—"Ja, " zeide hij, " ik zal het gaan halen. " Hij bragt ook een lederen zak, die ongeveer anderhalf pond kruid bevatte, en een anderen met hagel en eenige kogels. Middelerwijl had ik ook nog eenig kruid in de tent gevonden en daarmede eene flesch gevuld, na hetgeen er in was, in eene andere overgegoten te hebben. Aldus van het noodige voorzien, zeilden wij de haven uit. Aan het kasteel, dat aan den ingang van de haven ligt, kende men ons, en liet ons ongehinderd doorgaan, en toen wij een vierde mijl in zee waren, haalden wij het zeil in en gingen aan het visschen. De wind was N.N.O., hetgeen ik zeer ongelukkig trof. Zoo hij zuidelijk geweest was, had ik ligtelijk de Spaansche kust, ten minste de baai van Cadix kunnen bereiken. Ik besloot echter deze akelige plaats te ontvlugten, hoe ook de wind zijn mogt, en het verdere aan het lot over te laten.
My first contrivance was to make a pretence to speak to this Moor, to get something for our subsistence on board; for I told him we must not presume to eat of our patron’s bread. He said that was true; so he brought a large basket of rusk or biscuit, and three jars of fresh water, into the boat. I knew where my patron’s case of bottles stood, which it was evident, by the make, were taken out of some English prize, and I conveyed them into the boat while the Moor was on shore, as if they had been there before for our master. I conveyed also a great lump of beeswax into the boat, which weighed about half a hundred-weight, with a parcel of twine or thread, a hatchet, a saw, and a hammer, all of which were of great use to us afterwards, especially the wax, to make candles. Another trick I tried upon him, which he innocently came into also: his name was Ismael, which they call Muley, or Moely; so I called to him—“Moely,” said I, “our patron’s guns are on board the boat; can you not get a little powder and shot? It may be we may kill some alcamies (a fowl like our curlews) for ourselves, for I know he keeps the gunner’s stores in the ship.” “Yes,” says he, “I’ll bring some;” and accordingly he brought a great leather pouch, which held a pound and a half of powder, or rather more; and another with shot, that had five or six pounds, with some bullets, and put all into the boat. At the same time I had found some powder of my master’s in the great cabin, with which I filled one of the large bottles in the case, which was almost empty, pouring what was in it into another; and thus furnished with everything needful, we sailed out of the port to fish. The castle, which is at the entrance of the port, knew who we were, and took no notice of us; and we were not above a mile out of the port before we hauled in our sail and set us down to fish. The wind blew from the N.N.E., which was contrary to my desire, for had it blown southerly I had been sure to have made the coast of Spain, and at least reached to the bay of Cadiz; but my resolutions were, blow which way it would, I would be gone from that horrid place where I was, and leave the rest to fate.
Na eenigen tijd gevischt en niets gevangen te hebben, want als ik beet had, haalde ik niet op, zeide ik tot den Moor: " zoo gaat het niet; dit zal onzen meester weinig baten, wij moeten dieper in zee gaan. " Hij vermoedde niets kwaads, maar stemde er in toe, en daar hij voor in de boot was, stelde hij de zeilen. Daar ik aan het roer zat, liet ik het eene mijl in zee loopen, en draaide toen bij als om te visschen. Ik gaf daarop den jongen het roer, liep naar voren, bukte als om iets op te rapen, greep den Moor onverhoeds bij den gordel, en wierp hem over boord. Hij kwam bijkans op hetzelfde oogenblik boven, want hij zwom als een visch, en smeekte mij hem op te nemen, terwijl hij zwoer mij overal ter wereld te willen volgen. Hij zwom zoo vlug, dat hij, daar er weinig wind was, de boot spoedig ingehaald zou hebben. Ik ging dus naar de kajuit, haalde er een geweer uit en legde op hem aan. " Zoo gij mij ongemoeid laat, zal ik u geen kwaad doen, " zeide ik, " maar zoo gij de boot nadert, zal ik u een kogel door het hoofd jagen. De zee is stil, en gij kunt gemakkelijk naar den wal zwemmen. Ik wil mijne vrijheid weder hebben. " Hij keerde zich om en zwom naar het strand, dat hij zeker zal bereikt hebben, want hij zwom uitmuntend.
After we had fished some time and caught nothing—for when I had fish on my hook I would not pull them up, that he might not see them—I said to the Moor, “This will not do; our master will not be thus served; we must stand farther off.” He, thinking no harm, agreed, and being in the head of the boat, set the sails; and, as I had the helm, I ran the boat out near a league farther, and then brought her to, as if I would fish; when, giving the boy the helm, I stepped forward to where the Moor was, and making as if I stooped for something behind him, I took him by surprise with my arm under his waist, and tossed him clear overboard into the sea. He rose immediately, for he swam like a cork, and called to me, begged to be taken in, told me he would go all over the world with me. He swam so strong after the boat that he would have reached me very quickly, there being but little wind; upon which I stepped into the cabin, and fetching one of the fowling-pieces, I presented it at him, and told him I had done him no hurt, and if he would be quiet I would do him none. “But,” said I, “you swim well enough to reach to the shore, and the sea is calm; make the best of your way to shore, and I will do you no harm; but if you come near the boat I’ll shoot you through the head, for I am resolved to have my liberty;” so he turned himself about, and swam for the shore, and I make no doubt but he reached it with ease, for he was an excellent swimmer.
Ik zou dezen Moor wel hebben kunnen medenemen en den jongen over boord werpen, maar het was niet raadzaam geweest hem te vertrouwen. Toen hij weg was zeide ik tot den knaap, die Xury heette: " Zoo gij mij getrouw wilt blijven, Xury, zal ik een man van u maken, maar zoo gij niet bij Mahomed en zijn vaders baard mij trouw wilt zweren, zal ik u ook over boord werpen. " De knaap zag mij zoo onschuldig aan, dat ik hem niet kon wantrouwen, en zwoer mij getrouw te zijn, en tot aan het einde der wereld te zullen vergezellen.
I could have been content to have taken this Moor with me, and have drowned the boy, but there was no venturing to trust him. When he was gone, I turned to the boy, whom they called Xury, and said to him, “Xury, if you will be faithful to me, I’ll make you a great man; but if you will not stroke your face to be true to me”—that is, swear by Mahomet and his father’s beard—“I must throw you into the sea too.” The boy smiled in my face, and spoke so innocently that I could not distrust him, and swore to be faithful to me, and go all over the world with me.
Zoo lang ik in het gezigt van den Moor bleef, hield ik het bij den wind, opdat hij denken zou, dat ik naar den mond van de Straat van Gibraltar stevende (gelijk ieder verstandig mensch verwachten moest ); want wie kon onderstellen, dat ik zuidwaarts naar de Barbarijsche kust zoude gaan, waar geheele negerstammen ons met hunne kanoes konden omringen en dooden; waar wij nimmer aan wal konden gaan, om niet door wilde dieren of nog woester menschen verslonden te worden ?
While I was in view of the Moor that was swimming, I stood out directly to sea with the boat, rather stretching to windward, that they might think me gone towards the Straits’ mouth (as indeed any one that had been in their wits must have been supposed to do): for who would have supposed we were sailed on to the southward, to the truly Barbarian coast, where whole nations of negroes were sure to surround us with their canoes and destroy us; where we could not go on shore but we should be devoured by savage beasts, or more merciless savages of human kind.
Zoodra het echter duister werd, veranderde ik van koers, en stuurde Z.Z.O., om niet te ver van de kust af te raken. De wind was stevig, de zee kalm, zoo dat ik geloof, dat ik den volgenden middag te drie uren, toen ik het eerst land zag, ten minste vijftig mijlen van Salé, buiten het gebied van den Marokkaanschen keizer of eenig ander vorst was, want wij zagen niemand.
But as soon as it grew dusk in the evening, I changed my course, and steered directly south and by east, bending my course a little towards the east, that I might keep in with the shore; and having a fair, fresh gale of wind, and a smooth, quiet sea, I made such sail that I believe by the next day, at three o’clock in the afternoon, when I first made the land, I could not be less than one hundred and fifty miles south of Sallee; quite beyond the Emperor of Morocco’s dominions, or indeed of any other king thereabouts, for we saw no people.
De angst en vrees van weder in de handen der Mooren te vallen, weerhield mij aan land te gaan of te ankeren, ik bleef vijf dagen lang met denzelfden wind voortzeilen; daar toen de wind zuidelijk liep, besloot ik, dat, zoo men mij nagejaagd had, de Mooren nu ook de jagt moesten opgeven. Dus ankerde ik in den mond van een riviertje, ik weet niet op wat hoogte, noch in welk land of bij wat volk. Ik zag niemand, waar ik ook niet naar verlangde; zoet water was het voornaamste wat ik noodig had. Met den avond liepen wij de kreek binnen, en besloten, zoodra het duister zou zijn, naar den wal te zwemmen, en het land te verkennen; maar weldra hoorden wij zulk een verschrikkelijk gebrul, gehuil en geblaf van wilde dieren, welke, was ons onbekend, dat de arme knaap schier van vrees bezweek en mij bezwoer niet vóór den dag aan land te gaan.
Yet such was the fright I had taken of the Moors, and the dreadful apprehensions I had of falling into their hands, that I would not stop, or go on shore, or come to an anchor; the wind continuing fair till I had sailed in that manner five days; and then the wind shifting to the southward, I concluded also that if any of our vessels were in chase of me, they also would now give over; so I ventured to make to the coast, and came to an anchor in the mouth of a little river, I knew not what, nor where, neither what latitude, what country, what nation, or what river. I neither saw, nor desired to see any people; the principal thing I wanted was fresh water. We came into this creek in the evening, resolving to swim on shore as soon as it was dark, and discover the country; but as soon as it was quite dark, we heard such dreadful noises of the barking, roaring, and howling of wild creatures, of we knew not what kinds, that the poor boy was ready to die with fear, and begged of me not to go on shore till day.
" Ik zal wachten tot het dag is, Xury, " zeide ik, " maar dan kunnen wij menschen ontmoeten, die even kwaad jegens ons gezind zijn als deze leeuwen. "
“Well, Xury,” said I, “then I won’t; but it may be that we may see men by day, who will be as bad to us as those lions.”
— " Dan zullen wij schieten en ze wegjagen, " zeide Xury lagchende. Hij had van Engelsche slaven wat gebroken Engelsch geleerd. Ik was blijde, dat hij zoo welgemoed was, en gaf hem een slokje uit mijn meesters likeurkistje.—Ook scheen zijn raad het verstandigst; dus lieten wij ons anker vallen en rustten dien nacht; hoewel wij niet slapen konden, want twee of drie uren later zagen wij groote wilde beesten, wier naam ons onbekend was, naar het strand komen, en zich in het water storten als om zich af te koelen, onder een gehuil en gebrul zoo hevig als ik nimmer gehoord had.
“Then we give them the shoot gun,” says Xury, laughing, “make them run wey.” Such English Xury spoke by conversing among us slaves. However, I was glad to see the boy so cheerful, and I gave him a dram (out of our patron’s case of bottles) to cheer him up. After all, Xury’s advice was good, and I took it; we dropped our little anchor, and lay still all night; I say still, for we slept none; for in two or three hours we saw vast great creatures (we knew not what to call them) of many sorts, come down to the sea-shore and run into the water, wallowing and washing themselves for the pleasure of cooling themselves; and they made such hideous howlings and yellings, that I never indeed heard the like.
Xury was half dood van angst en ik ook; maar het werd nog erger, toen wij een dier geweldige beesten naar onze boot hoorden toezwemmen; wij konden hem niet zien, maar hoorden zijn verschrikkelijk gesnuif. Xury zeide, dat het een leeuw was, hetgeen wel waar zijn kon, en riep, dat wij het anker ligten en wegroeijen moesten.
Xury was dreadfully frighted, and indeed so was I too; but we were both more frighted when we heard one of these mighty creatures come swimming towards our boat; we could not see him, but we might hear him by his blowing to be a monstrous huge and furious beast. Xury said it was a lion, and it might be so for aught I know; but poor Xury cried to me to weigh the anchor and row away;
" Neen Xury, " zeide ik, " wij kunnen ons touw laten glippen met een boei er op; hij kan ons niet vervolgen. " Naauwelijks had ik dit gezegd, of ik zag geen twee riemslengten van mij af het beest, hetgeen mij een weinig van mijn stuk bragt. Ik ging echter dadelijk in de tent, nam een geweer en schoot op het dier, dat dadelijk omkeerde en naar het strand zwom. Maar onmogelijk is ' t dat akelig gehuil en gebrul te beschrijven, dat zoowel aan het strand als dieper in het land ontstond, na het geraas van het schot, iets, wat deze dieren waarschijnlijk nimmer te voren gehoord hadden. Dit bewees, dat het niet veilig was dien nacht op de kust te gaan; en hoe het bij dag zijn zou, was eene andere vraag, want het was even erg in de handen der wilden, als in de klaauwen der leeuwen en tijgers te vallen; wij althans waren voor beide even bang.
“No,” says I, “Xury; we can slip our cable, with the buoy to it, and go off to sea; they cannot follow us far.” I had no sooner said so, but I perceived the creature (whatever it was) within two oars’ length, which something surprised me; however, I immediately stepped to the cabin door, and taking up my gun, fired at him; upon which he immediately turned about and swam towards the shore again. But it is impossible to describe the horrid noises, and hideous cries and howlings that were raised, as well upon the edge of the shore as higher within the country, upon the noise or report of the gun, a thing I have some reason to believe those creatures had never heard before: this convinced me that there was no going on shore for us in the night on that coast, and how to venture on shore in the day was another question too; for to have fallen into the hands of any of the savages had been as bad as to have fallen into the hands of the lions and tigers; at least we were equally apprehensive of the danger of it.
Wij moesten evenwel hier of daar aan wal gaan, om water in te nemen, want wij hadden geen pintje meer; de vraag was maar waar wij het zouden vinden. Xury zeide dat, als ik hem met een der kruiken naar den wal liet gaan, hij wel water vinden en mij brengen zou. Ik vroeg hem waarom hij gaan en niet liever in de boot blijven wilde. Hij antwoordde mij met eene genegenheid, die mij hem voor altijd deed liefhebben: " Als de wildemans komen, zij mij eten en gij heengaan. "
Be that as it would, we were obliged to go on shore somewhere or other for water, for we had not a pint left in the boat; when and where to get to it was the point. Xury said, if I would let him go on shore with one of the jars, he would find if there was any water, and bring some to me. I asked him why he would go? why I should not go, and he stay in the boat? The boy answered with so much affection as made me love him ever after. Says he, “If wild mans come, they eat me, you go wey.”
— " Neen Xury, " zeide ik, " wij zullen beide gaan, en als de wilden komen zullen wij hen doodschieten en zij ons geen van beiden eten. " Vervolgens gaf ik Xury een stuk beschuit en een borrel, en wij haalden de boot zoo digt naar den wal als wij konden, en waadden daarop naar het strand, met niets dan onze wapenen en twee kruiken om te vullen, bij ons. Naderhand vonden wij, dat wij zoo veel moeite niet noodig gehad hadden om water, want een weinig verder in de kreek vonden wij bij laag water het water zoet.
“Well, Xury,” said I, “we will both go and if the wild mans come, we will kill them, they shall eat neither of us.” So I gave Xury a piece of rusk bread to eat, and a dram out of our patron’s case of bottles which I mentioned before; and we hauled the boat in as near the shore as we thought was proper, and so waded on shore, carrying nothing but our arms and two jars for water.
Ik wilde de boot niet uit het oog verliezen, uit vrees, dat de wilden met kanoes de rivier af mogten komen, maar de knaap zag een kwartier uurs verder eene laagte, en liep daarheen; na korten tijd zag ik hem terug komen. Denkende, dat hij door een verscheurend dier of wilden vervolgd werd, liep ik naar hem toe, om hem bij te staan. Toen ik echter digt bij hem kwam, zag ik, dat hij over zijn schouder een dier had hangen, dat hij geschoten had, naar een haas gelijkende, maar langer van beenen en anders van haar. Wij waren er zeer mede in onzen schik, want het leverde ons een uitmuntend middagmaal op. Xury had er vooral zijne vreugde in, dat hij goed water en geene wilden aangetroffen had.
I did not care to go out of sight of the boat, fearing the coming of canoes with savages down the river; but the boy seeing a low place about a mile up the country, rambled to it, and by-and-by I saw him come running towards me. I thought he was pursued by some savage, or frighted with some wild beast, and I ran forward towards him to help him; but when I came nearer to him I saw something hanging over his shoulders, which was a creature that he had shot, like a hare, but different in colour, and longer legs; however, we were very glad of it, and it was very good meat; but the great joy that poor Xury came with, was to tell me he had found good water and seen no wild mans.
Wij vulden dus onze kruiken, aten den haas, dien wij gedood hadden, en besloten te vertrekken, zonder dat wij eenig spoor van menschen voetstappen in die landstreek gezien hadden.
But we found afterwards that we need not take such pains for water, for a little higher up the creek where we were we found the water fresh when the tide was out, which flowed but a little way up; so we filled our jars, and feasted on the hare he had killed, and prepared to go on our way, having seen no footsteps of any human creature in that part of the country.
Daar ik reeds eene reis op de kust gedaan had, wist ik, dat de Kanarische en Kaap Verdische eilanden niet veraf waren; maar daar ik geen werktuigen had, om hoogte te nemen, wist ik niet juist waar wij waren, noch op welke hoogte zij lagen, anders had ik gemakkelijk een kunnen bereiken. Ik hoopte echter het langs de kust te houden, tot daar, waar de Engelschen handel drijven, en daar een hunner vaartuigen te ontmoeten.
As I had been one voyage to this coast before, I knew very well that the islands of the Canaries, and the Cape de Verde Islands also, lay not far off from the coast. But as I had no instruments to take an observation to know what latitude we were in, and not exactly knowing, or at least remembering, what latitude they were in, I knew not where to look for them, or when to stand off to sea towards them; otherwise I might now easily have found some of these islands. But my hope was, that if I stood along this coast till I came to that part where the English traded, I should find some of their vessels upon their usual design of trade, that would relieve and take us in.
Voor zoo veel ik berekenen kon was ik in de landstreek, die tusschen het gebied van den Marokkaanschen keizer en het land der Negers ligt, en woest en alleen door wilde dieren bewoond is; daar de Negers haar verlaten hebben, en uit vrees voor de Mooren zuidelijker getrokken zijn; terwijl de laatsten haar om hare barheid niet willen bewonen; en er slechts komen om er groote jagten, met twee- tot drieduizend man, te houden. Ook zagen wij bij dag niets dan een dor onbewoond land, en hoorden ' s nachts niets dan het gehuil der wilde dieren.
By the best of my calculation, that place where I now was must be that country which, lying between the Emperor of Morocco’s dominions and the negroes, lies waste and uninhabited, except by wild beasts; the negroes having abandoned it and gone farther south for fear of the Moors, and the Moors not thinking it worth inhabiting by reason of its barrenness; and indeed, both forsaking it because of the prodigious number of tigers, lions, leopards, and other furious creatures which harbour there; so that the Moors use it for their hunting only, where they go like an army, two or three thousand men at a time; and indeed for near a hundred miles together upon this coast we saw nothing but a waste, uninhabited country by day, and heard nothing but howlings and roaring of wild beasts by night.
Eens of twee maal meende ik den Piek van Teneriffe te zien, en had veel lust te trachten dien te bereiken; maar twee maal werd ik door tegenwinden teruggedreven, ook ging de zee dan te hoog voor mijne boot, dus besloot ik mijn eerste voornemen te volgen, en het langs de kust te houden.
Once or twice in the daytime I thought I saw the Pico of Teneriffe, being the high top of the Mountain Teneriffe in the Canaries, and had a great mind to venture out, in hopes of reaching thither; but having tried twice, I was forced in again by contrary winds, the sea also going too high for my little vessel; so, I resolved to pursue my first design, and keep along the shore.
Verscheidene malen moest ik aan land gaan, om zoet water in te nemen. Eens lieten wij daarom het anker vallen bij eene hooge landtong. Het was vroeg in den ochtend, en daar de vloed doorkwam, wilden wij wachten om dieper landwaarts in te kunnen gaan. Xury, wiens gezigt scherper was dan het mijne, riep mij zacht en zeide, dat het best ware zoo wij verder van het strand gingen, terwijl hij mij een verschrikkelijk grooten leeuw wees, die tegen de zijde van den heuvel lag te slapen.
Several times I was obliged to land for fresh water, after we had left this place; and once in particular, being early in morning, we came to an anchor under a little point of land, which was pretty high; and the tide beginning to flow, we lay still to go farther in. Xury, whose eyes were more about him than it seems mine were, calls softly to me, and tells me that we had best go farther off the shore; “For,” says he, “look, yonder lies a dreadful monster on the side of that hillock, fast asleep.” I looked where he pointed, and saw a dreadful monster indeed, for it was a terrible, great lion that lay on the side of the shore, under the shade of a piece of the hill that hung as it were a little over him.
" Ga naar den wal, Xury, " zeide ik, " en schiet dien leeuw dood. " Hij beefde echter van schrik, en zeide: " Hij mij dooden ! Ik een mond voor hem. " Hij meende een mond vol. Zonder hem meer te zeggen wenkte ik hem, dat hij stil zou zijn, en nam mijn grootste geweer, en laadde het met twee kogels en eene goede lading kruid; even zoo het tweede, en op het derde geweer deed ik vijf kleinere kogels. Ik mikte zoo goed ik kon met het eerste, om hem in den kop te treffen; maar daar hij op zijn buik lag, met zijne voorpooten voor zijn muil, trof ik een van deze op de hoogte van de knie. Brullende sprong hij op, doch viel dadelijk weder neder; spoedig echter stond hij weder op drie pooten en liet een allerafgrijsselijkst gebrul hooren. Ik nam dadelijk het tweede geweer en juist toen hij heen wilde gaan, trof ik hem in den kop, en had het genoegen hem in stuiptrekkingen te zien neerzijgen, terwijl hij weinig geluid meer gaf. Toen kreeg Xury weder moed en wilde, dat ik hem aan wal liet gaan.
“Xury,” says I, “you shall on shore and kill him.” Xury, looked frighted, and said, “Me kill! he eat me at one mouth!”—one mouthful he meant. However, I said no more to the boy, but bade him lie still, and I took our biggest gun, which was almost musket-bore, and loaded it with a good charge of powder, and with two slugs, and laid it down; then I loaded another gun with two bullets; and the third (for we had three pieces) I loaded with five smaller bullets. I took the best aim I could with the first piece to have shot him in the head, but he lay so with his leg raised a little above his nose, that the slugs hit his leg about the knee and broke the bone. He started up, growling at first, but finding his leg broken, fell down again; and then got upon three legs, and gave the most hideous roar that ever I heard. I was a little surprised that I had not hit him on the head; however, I took up the second piece immediately, and though he began to move off, fired again, and shot him in the head, and had the pleasure to see him drop and make but little noise, but lie struggling for life. Then Xury took heart, and would have me let him go on shore.
" Welnu ga, " zeide ik. Hij nam in de eene hand een geweer, zwom met de andere naar het strand, en bij het dier gekomen, hield hij den tromp van het geweer in zijn oor, en schoot hem nogmaals door het hoofd, waarop hij dadelijk stierf. Het was een fraaije jagt, maar slecht voedsel voor ons, en het speet mij thans genoeg, dat ik drie ladingen kruid en lood verspild had, om een dier te dooden, dat ons tot niets nut was. Xury wilde toch iets van hem hebben, dus kwam hij weder aan boord en verzocht mij om de bijl.
“Well, go,” said I: so the boy jumped into the water and taking a little gun in one hand, swam to shore with the other hand, and coming close to the creature, put the muzzle of the piece to his ear, and shot him in the head again, which despatched him quite. This was game indeed to us, but this was no food; and I was very sorry to lose three charges of powder and shot upon a creature that was good for nothing to us. However, Xury said he would have some of him; so he comes on board, and asked me to give him the hatchet.
" Waarom Xury ? " vroeg ik. " Ik hem den kop afhakken, " zeide hij. Dit kon hij echter niet en dus vergenoegde hij zich met een poot, die waarlijk monsterachtig groot was. Ik bedacht mij echter, dat misschien zijne huid ons van eenige dienst kon zijn, dus besloot ik hem te villen. Xury en ik gingen aan het werk, maar Xury verstond zich veel beter op dit werk dan ik. Wij waren er den geheelen dag mede bezig; maar eindelijk waren wij er mede gereed en spanden de huid over de tent van onze boot; de zon droogde haar in twee dagen, en naderhand diende zij mij om op te liggen.
“For what, Xury?” said I. “Me cut off his head,” said he. However, Xury could not cut off his head, but he cut off a foot, and brought it with him, and it was a monstrous great one. I bethought myself, however, that, perhaps the skin of him might, one way or other, be of some value to us; and I resolved to take off his skin if I could. So Xury and I went to work with him; but Xury was much the better workman at it, for I knew very ill how to do it. Indeed, it took us both up the whole day, but at last we got off the hide of him, and spreading it on the top of our cabin, the sun effectually dried it in two days’ time, and it afterwards served me to lie upon.
CHAPTER III—WRECKED ON A DESERT ISLAND
Vervolgens liepen wij tien of twaalf dagen zuidwaarts, en hielden zeer zuinig met onze levensmiddelen huis, die echter sterk verminderden, en gingen alleen aan land als wij water moesten innemen. Ik wilde de rivier Gambia of Senegal, dat wil zeggen, de hoogte van Kaap Verd bereiken, omdat ik daar Europesche schepen hoopte te ontmoeten. Zoo dit niet het geval was, wist ik niet wat te doen, dan de eilanden op te zoeken of onder de Negers om te komen. Ik wist, dat al de schepen van Europa, naar de kust van Guinea of Brazilië bestemd, de Kaap Verdische eilanden naderen. In één woord, ik had geen ander uitzigt, dan de kans van door een schip gezien te worden of den dood.
After this stop, we made on to the southward continually for ten or twelve days, living very sparingly on our provisions, which began to abate very much, and going no oftener to the shore than we were obliged to for fresh water. My design in this was to make the river Gambia or Senegal, that is to say anywhere about the Cape de Verde, where I was in hopes to meet with some European ship; and if I did not, I knew not what course I had to take, but to seek for the islands, or perish there among the negroes. I knew that all the ships from Europe, which sailed either to the coast of Guinea or to Brazil, or to the East Indies, made this cape, or those islands; and, in a word, I put the whole of my fortune upon this single point, either that I must meet with some ship or must perish.
Gelijk gezegd is, had ik tien dagen lang dit plan gevolgd, toen ik begon te bespeuren, dat het land bewoond was; op twee of drie plaatsen zagen wij, toen wij voorbij zeilden, volk op het strand staan; zij waren zwart en geheel naakt. Eens was ik voornemens aan land en naar hen toe te gaan, maar Xury ried mij ten beste, en zeide: " Niet gaan, niet gaan. "
When I had pursued this resolution about ten days longer, as I have said, I began to see that the land was inhabited; and in two or three places, as we sailed by, we saw people stand upon the shore to look at us; we could also perceive they were quite black and naked. I was once inclined to have gone on shore to them; but Xury was my better counsellor, and said to me, “No go, no go.”
Echter hield ik het digt langs de kust, om tot hen te kunnen spreken, en zag, dat zij een groot eind weegs mede liepen. Zij waren zonder wapenen, behalve een man, die een langen dunnen stok in de hand had, welke Xury mij zeide, dat een werpspies was, en dat zij daar op verren afstand zeer juist mede weten te treffen; ik hield mij dus op een voegzamen afstand, maar gaf hun door teekens te kennen, dat ik voornamelijk wat eten wenschte. Zij wezen mij, dat ik de boot stil zou doen liggen, en dat zij mij wat spijs zouden bezorgen. Ik streek mijn zeil gedeeltelijk en draaide bij, en twee hunner liepen landwaarts in, en kwamen een halfuur daarna terug, met twee stukken gedroogd vleesch, en eenig koorn, gelijk het land daar oplevert. Hoewel wij niet wisten wat een van beide was, wilden wij het gaarne aannemen. Maar de vraag was hoe er aan te komen, want ik wilde mij niet op het strand tusschen hen wagen, en zij schenen even bevreesd voor ons. Zij wisten echter raad, want zij bragten en legden het aan het strand, gingen een groot eind weegs terug tot wij het aan boord genomen hadden, en kwamen toen weder digter bij ons.
However, I hauled in nearer the shore that I might talk to them, and I found they ran along the shore by me a good way. I observed they had no weapons in their hand, except one, who had a long slender stick, which Xury said was a lance, and that they could throw them a great way with good aim; so I kept at a distance, but talked with them by signs as well as I could; and particularly made signs for something to eat: they beckoned to me to stop my boat, and they would fetch me some meat. Upon this I lowered the top of my sail and lay by, and two of them ran up into the country, and in less than half-an-hour came back, and brought with them two pieces of dried flesh and some corn, such as is the produce of their country; but we neither knew what the one or the other was; however, we were willing to accept it, but how to come at it was our next dispute, for I would not venture on shore to them, and they were as much afraid of us; but they took a safe way for us all, for they brought it to the shore and laid it down, and went and stood a great way off till we fetched it on board, and then came close to us again.
Wij maakten hun teekens van dankzegging, want anders hadden wij niet; doch op datzelfde oogenblik had ik gelegenheid hun eene goede dienst te doen. Toen wij vlak bij het strand lagen, kwamen er twee verschrikkelijk groote wilde dieren, de een den ander vervolgende (naar het ons toescheen ) van het gebergte zeewaarts loopen. Wij wisten niet of het mannetje het wijfje achtervolgde, en evenmin of hunne verschijning iets gewoons of ongewoons was. Ik geloof echter het laatste, want vooreerst komen de verscheurende dieren zelden anders dan des nachts te voorschijn; ten tweede waren de Negers, vooral de vrouwen, doodelijk verschrikt. De man die de lans droeg hield stand, maar al de overigen sloegen op de vlugt. Echter liepen de dieren regt op de zee aan, zonder er aan te denken de Negers aan te vallen, en sprongen in het water, naar het scheen, om zich te verfrisschen. Ten laatste kwam een hunner digter bij de boot dan ik verwachtte, maar ik was gereed hem te ontvangen, want ik had zoo spoedig mogelijk mijn geweer geladen, en zeide Xury, dat hij de beide anderen zou laden. Zoodra hij binnen schot kwam, gaf ik vuur en trof hem vlak in den kop. Oogenblikkelijk dook hij, doch kwam spoedig weder boven, hetgeen hij verscheidene malen herhaalde, naar het scheen met den dood worstelende. Hij trachtte het strand te bereiken, maar vóór dien tijd was hij reeds dood.
We made signs of thanks to them, for we had nothing to make them amends; but an opportunity offered that very instant to oblige them wonderfully; for while we were lying by the shore came two mighty creatures, one pursuing the other (as we took it) with great fury from the mountains towards the sea; whether it was the male pursuing the female, or whether they were in sport or in rage, we could not tell, any more than we could tell whether it was usual or strange, but I believe it was the latter; because, in the first place, those ravenous creatures seldom appear but in the night; and, in the second place, we found the people terribly frighted, especially the women. The man that had the lance or dart did not fly from them, but the rest did; however, as the two creatures ran directly into the water, they did not offer to fall upon any of the negroes, but plunged themselves into the sea, and swam about, as if they had come for their diversion; at last one of them began to come nearer our boat than at first I expected; but I lay ready for him, for I had loaded my gun with all possible expedition, and bade Xury load both the others. As soon as he came fairly within my reach, I fired, and shot him directly in the head; immediately he sank down into the water, but rose instantly, and plunged up and down, as if he were struggling for life, and so indeed he was; he immediately made to the shore; but between the wound, which was his mortal hurt, and the strangling of the water, he died just before he reached the shore.
Het is onmogelijk de verbazing van die arme schepsels te beschrijven, bij het zien en hooren van mijn schot. Velen schenen half dood van vrees en vielen van schrik neder. Doch toen zij het dier dood zagen, en ik hun wees, dat zij naar het water zouden komen, vatten zij moed en begonnen het dier op te zoeken. Aan het bloed, dat op het water opkwam, bespeurde ik waar hij lag, en met een touw, dat ik om hem sloeg en de Negers liet inhalen, sleepten zij het op strand. Het was een bijzonder gevlekte en schoone luipaard, en de Negers hieven van verbazing, dat ik hem gedood had, de handen omhoog.
It is impossible to express the astonishment of these poor creatures at the noise and fire of my gun: some of them were even ready to die for fear, and fell down as dead with the very terror; but when they saw the creature dead, and sunk in the water, and that I made signs to them to come to the shore, they took heart and came, and began to search for the creature. I found him by his blood staining the water; and by the help of a rope, which I slung round him, and gave the negroes to haul, they dragged him on shore, and found that it was a most curious leopard, spotted, and fine to an admirable degree; and the negroes held up their hands with admiration, to think what it was I had killed him with.
Het andere beest, door den slag en het vuur van mijn geweer verschrikt, zwom naar den wal en vloog naar het gebergte, vanwaar het gekomen was. De verte belette mij te zien welk dier het was. Ik bemerkte spoedig dat de Negers het luipaardenvleesch eten, en wilde het dus als eene gunst van mij geven. Toen ik hun door teekens te kennen gaf, dat zij hem nemen zouden, waren zij er zeer dankbaar voor. Ofschoon zij geen messen hadden, vilden zij hem met een scherp hout zoo vlug, ja veel vlugger dan wij het met messen hadden kunnen doen. Zij boden mij een deel van het vleesch aan, dat ik weigerde en hun door teekens te kennen gaf, dat ik hun alles schonk, doch ik wees hun dat ik de huid hebben wilde, die zij mij dadelijk gaven, met eene menigte van hunnen voorraad, dien ik aannam, zonder te weten wat ik er mede doen zou. Vervolgens gaf ik door teekens mijn verlangen naar water te kennen, en hield hun ten dien einde eene onzer ledige kruiken omgekeerd voor, om hun te doen zien, dat die ledig was, en gevuld moest worden. Zij riepen dadelijk eenigen hunner, en twee vrouwen kwamen met eene groote pot, van klei gemaakt en in de zon gedroogd, naar ik denk; deze plaatsten zij voor mij, en ik zond Xury met mijne kruiken aan het strand, die ze daaruit vulde. De vrouwen waren zoo wel naakt als de mannen.
The other creature, frighted with the flash of fire and the noise of the gun, swam on shore, and ran up directly to the mountains from whence they came; nor could I, at that distance, know what it was. I found quickly the negroes wished to eat the flesh of this creature, so I was willing to have them take it as a favour from me; which, when I made signs to them that they might take him, they were very thankful for. Immediately they fell to work with him; and though they had no knife, yet, with a sharpened piece of wood, they took off his skin as readily, and much more readily, than we could have done with a knife. They offered me some of the flesh, which I declined, pointing out that I would give it them; but made signs for the skin, which they gave me very freely, and brought me a great deal more of their provisions, which, though I did not understand, yet I accepted. I then made signs to them for some water, and held out one of my jars to them, turning it bottom upward, to show that it was empty, and that I wanted to have it filled. They called immediately to some of their friends, and there came two women, and brought a great vessel made of earth, and burnt, as I supposed, in the sun, this they set down to me, as before, and I sent Xury on shore with my jars, and filled them all three. The women were as naked as the men.
Ik was thans voorzien van wortelen en koorn, zoo als het was, en van water. Ik verliet dan mijne vriendelijke Negers, en stevende nog elf dagen in dezelfde rigting, zonder te beproeven de kust te naderen; tot dat ik het land een groot eind in zee zag loopen, op ongeveer vier of vijf mijlen voor mij uit. Daar de zee zeer kalm was, hield ik zeewaarts, om deze landtong om te zeilen. Eindelijk dezelve op ongeveer twee mijlen van het land omgezeild zijnde, zag ik duidelijk land aan de andere zijde zeewaarts. Ik besloot dus, gelijk zeker wel het geval zal geweest zijn, dat dit Kaap Verd was, en dat gindsche eilanden, die waren, welke naar dezelve Kaap Verdische eilanden heeten. Zij lagen echter op een grooten afstand; en ik wist niet wat mij best te doen stond, want zoo ik door eene windvlaag overvallen werd, zou ik nimmer de eene noch de andere bereiken.
I was now furnished with roots and corn, such as it was, and water; and leaving my friendly negroes, I made forward for about eleven days more, without offering to go near the shore, till I saw the land run out a great length into the sea, at about the distance of four or five leagues before me; and the sea being very calm, I kept a large offing to make this point. At length, doubling the point, at about two leagues from the land, I saw plainly land on the other side, to seaward; then I concluded, as it was most certain indeed, that this was the Cape de Verde, and those the islands called, from thence, Cape de Verde Islands. However, they were at a great distance, and I could not well tell what I had best to do; for if I should be taken with a fresh of wind, I might neither reach one or other.
In deze verlegenheid stapte ik geheel verslagen in de tent en ging daar zitten, terwijl ik Xury aan het roer had gelaten. Eensklaps riep de jongen: " Meester, meester, een schip, een zeil ! " De arme jongen bestierf het schier van angst, denkende, dat het niet anders zijn kon dan een van zijn meesters schepen, uitgezonden om ons te vervolgen. Ik echter wist wel, dat wij ver genoeg buiten zijn bereik waren. Ik sprong uit de kajuit, en zag niet alleen dadelijk het schip, maar ook wat het was; namelijk een Portugeesch schip, en, zoo als ik dacht, naar de kust van Guinea bestemd, om slaven te halen. Toen ik echter zag welken koers het hield, werd ik spoedig overtuigd dat het eene andere bestemming had, en niet voornemens was digter bij de kust te komen. Ik hield het dus zeewaarts, zoo veel ik kon, met oogmerk, zoo mogelijk, het te praaijen.
In this dilemma, as I was very pensive, I stepped into the cabin and sat down, Xury having the helm; when, on a sudden, the boy cried out, “Master, master, a ship with a sail!” and the foolish boy was frighted out of his wits, thinking it must needs be some of his master’s ships sent to pursue us, but I knew we were far enough out of their reach. I jumped out of the cabin, and immediately saw, not only the ship, but that it was a Portuguese ship; and, as I thought, was bound to the coast of Guinea, for negroes. But, when I observed the course she steered, I was soon convinced they were bound some other way, and did not design to come any nearer to the shore; upon which I stretched out to sea as much as I could, resolving to speak with them if possible.
Ik bemerkte dat ik met al het zeil, dat ik voeren kon, bijgezet, nog niet in hunnen koers kon komen, maar dat zij mij voorbij zijn zouden, voor ik hun eenig sein had kunnen doen, doch na zoo veel ik kon opgeloefd te hebben, en toen ik reeds begon te wanhopen, zagen zij, naar het scheen, mij door hunne kijkers, en dat het eene boot van Europeesch maaksel was, die zij onderstelden dat een schip moest behooren, dat vergaan was; dus minderden zij zeil, om mij op zijde te laten komen. Dit moedigde mij aan, en daar ik een vlag van mijn ouden meester aan boord had, heesch ik die in sjouw, tot een noodsein, en vuurde een geweer af. Zij zagen beide, want naderhand werd mij verhaald, dat zij den rook gezien, maar den slag niet gehoord hadden. Op deze seinen brasten zij tegen, en in ongeveer drie uren tijds was ik hen op zijde.
With all the sail I could make, I found I should not be able to come in their way, but that they would be gone by before I could make any signal to them: but after I had crowded to the utmost, and began to despair, they, it seems, saw by the help of their glasses that it was some European boat, which they supposed must belong to some ship that was lost; so they shortened sail to let me come up. I was encouraged with this, and as I had my patron’s ancient on board, I made a waft of it to them, for a signal of distress, and fired a gun, both which they saw; for they told me they saw the smoke, though they did not hear the gun. Upon these signals they very kindly brought to, and lay by for me; and in about three hours; time I came up with them.
Men vroeg mij in het Portugeesch, in het Spaansch en in het Fransch wie ik was; van al hetwelk ik niets verstond; maar eindelijk sprak een Schotsche zeeman, die aan boord was, mij aan, en ik antwoordde hem, zeggende, dat ik een Engelschman was, die de slavernij der Mooren van Salé ontvlugt was. Daarop verzocht men mij aan boord te komen, en nam mij en al mijne goederen zeer goedhartig op.
They asked me what I was, in Portuguese, and in Spanish, and in French, but I understood none of them; but at last a Scotch sailor, who was on board, called to me: and I answered him, and told him I was an Englishman, that I had made my escape out of slavery from the Moors, at Sallee; they then bade me come on board, and very kindly took me in, and all my goods.
Het was eene onuitsprekelijke vreugde voor mij, gelijk iedereen wel zal willen gelooven, dat ik mij uit een zoo jammerlijken en schier hopeloozen toestand, waarin ik mij bevonden had, gelijk ik begreep, gered zag. Oogenblikkelijk bood ik den kapitein van het schip alles aan wat ik bezat, tot vergelding van mijne bevrijding; maar hij gaf mij edelmoediglijk te kennen, dat hij niets van mij aannemen, maar dat mij alles wat ik had zou ter hand gesteld worden, als wij behouden in Brazilië aankwamen. " Want, " zeide hij, " ik heb u het leven gered, even zoo als ik in uwen toestand gaarne zou gered willen worden; en het kan te een of anderen tijd gebeuren, dat dit ook mijn lot wordt. Bovendien, " vervolgde hij, " als ik u naar Brazilië medeneem, zoo ver van uw vaderland, en ik zou u het weinige ontnemen wat gij hebt, zoudt gij daar van honger sterven, en ik zou dan u slechts gered hebben, om u weder in doodsgevaar te brengen. Neen, neen, Senhor Inglese (mijnheer de Engelschman ), ik zal u uit Christelijke liefde daarheen brengen, en wat gij hebt zal u daar wel te pas komen, om er van te leven, en uwe tehuisreis te bekostigen. "
It was an inexpressible joy to me, which any one will believe, that I was thus delivered, as I esteemed it, from such a miserable and almost hopeless condition as I was in; and I immediately offered all I had to the captain of the ship, as a return for my deliverance; but he generously told me he would take nothing from me, but that all I had should be delivered safe to me when I came to the Brazils. “For,” says he, “I have saved your life on no other terms than I would be glad to be saved myself: and it may, one time or other, be my lot to be taken up in the same condition. Besides,” said he, “when I carry you to the Brazils, so great a way from your own country, if I should take from you what you have, you will be starved there, and then I only take away that life I have given. No, no,” says he: “Seignior Inglese” (Mr. Englishman), “I will carry you thither in charity, and those things will help to buy your subsistence there, and your passage home again.”
Even menschlievend als dit voorstel was, even strikt was hij in de uitvoering daarvan, want hij gelastte den matrozen volstrekt niets aan te raken van hetgeen ik had; daarna nam hij zelf alles in ontvangst, en gaf er mij eene juiste inventaris van, ten einde mij bij onze aankomst alles te kunnen terug geven, zelfs tot mijne drie aarden kruiken toe.
As he was charitable in this proposal, so he was just in the performance to a tittle; for he ordered the seamen that none should touch anything that I had: then he took everything into his own possession, and gave me back an exact inventory of them, that I might have them, even to my three earthen jars.
Hij zag dat mijne boot zeer goed was, en stelde mij voor die aan hem ten gebruike van het schip te verkoopen, en vroeg mij wat ik er voor hebben wilde. Ik zeide, dat hij in alles zoo edelmoedig jegens mij gehandeld had, dat ik geenerlei prijs op de boot kon stellen, maar alles aan hem overliet. Hij zeide mij daarop, dat hij mij een briefje van zijne hand zou geven, om er mij 80 stukken van achten te Brazilië voor te geven; en als iemand er mij daar meer voor wilde geven, zou hij mij haar terug geven. Hij bood mij ook nog 60 stukken van achten voor den knaap, Xury. Ik had hier veel tegen, niet dat ik hem niet aan den kapitein wilde afstaan, maar ik had een weêrzin om de vrijheid van den armen knaap te verkoopen, die mij zoo trouw geholpen had, de mijne te herkrijgen. Toen ik den kapitein mijne redenen zeide, billijkte hij die volkomen, en bood mij, als een middel om alles te vereffenen, aan, den knaap eene verbindtenis te geven, dat hij hem, zoo hij Christen werd, binnen tien jaren zou vrijlaten. Daar Xury zeide, dat hij hiermede tevreden was, stond ik hem aan den kapitein af.
As to my boat, it was a very good one; and that he saw, and told me he would buy it of me for his ship’s use; and asked me what I would have for it? I told him he had been so generous to me in everything that I could not offer to make any price of the boat, but left it entirely to him: upon which he told me he would give me a note of hand to pay me eighty pieces of eight for it at Brazil; and when it came there, if any one offered to give more, he would make it up. He offered me also sixty pieces of eight more for my boy Xury, which I was loth to take; not that I was unwilling to let the captain have him, but I was very loth to sell the poor boy’s liberty, who had assisted me so faithfully in procuring my own. However, when I let him know my reason, he owned it to be just, and offered me this medium, that he would give the boy an obligation to set him free in ten years, if he turned Christian: upon this, and Xury saying he was willing to go to him, I let the captain have him.
Wij hadden eene zeer goede reis naar Brazilië, en kwamen tweeëntwintig dagen daarna in de baai de Todos los Santos of Allerheiligenbaai aan. En nu was ik weder gered uit den allerrampzaligsten toestand. Thans moest ik overleggen wat mij nu te doen stond. Het edelmoedige gedrag van den kapitein jegens mij, kan ik nimmer genoeg prijzen.
We had a very good voyage to the Brazils, and I arrived in the Bay de Todos los Santos, or All Saints’ Bay, in about twenty-two days after. And now I was once more delivered from the most miserable of all conditions of life; and what to do next with myself I was to consider.
Hij wilde niets van geld voor den overtogt hooren, gaf mij 20 dukaten voor de huid van den luipaard, 40 voor die van den leeuw, welke ik in de boot had gehad, en zorgde, dat al wat ik aan boord gebragt had, mij stipt werd teruggegeven. Wat ik verkoopen wilde, kocht hij; zoo als den flesschenkelder; twee van mijne geweren, en een gedeelte van den klomp was, want van het overige had ik kaarsen gemaakt. In een woord, ik maakte ongeveer 220 stukken van achten van mijne geheele lading, en met dit geld ging ik in Brazilië aan wal.
The generous treatment the captain gave me I can never enough remember: he would take nothing of me for my passage, gave me twenty ducats for the leopard’s skin, and forty for the lion’s skin, which I had in my boat, and caused everything I had in the ship to be punctually delivered to me; and what I was willing to sell he bought of me, such as the case of bottles, two of my guns, and a piece of the lump of beeswax—for I had made candles of the rest: in a word, I made about two hundred and twenty pieces of eight of all my cargo; and with this stock I went on shore in the Brazils.
Ik begaf mij kort daarop, op aanbeveling van den kapitein naar het huis van een zoo goed, braaf man als hij zelf was, die een ingenio, gelijk men het noemt, dat is, eene plantaadje en suikerfabrijk had. Ik bleef daar eenigen tijd, en leerde de wijze, waarop de suiker geteeld en gefabriceerd wordt. Ziende hoe goed de planters leefden, en hoe spoedig rijk zij werden, besloot ik, als ik er verlof toe bekomen kon, mij daar te vestigen, en even als zij, een planter te worden; terwijl ik tevens op middelen zon, om mijn geld, dat ik te Londen had, aan mij overgemaakt te krijgen. Te dien einde verschafte ik mij eene soort van brieven van naturalisatie, kocht zoo veel onbebouwd land als ik betalen kon, en maakte een plan tot eene plantaadje, geëvenredigd naar het kapitaal, dat ik uit Engeland verwachtte.
I had not been long here before I was recommended to the house of a good honest man like himself, who had an _ingenio_, as they call it (that is, a plantation and a sugar-house). I lived with him some time, and acquainted myself by that means with the manner of planting and making of sugar; and seeing how well the planters lived, and how they got rich suddenly, I resolved, if I could get a licence to settle there, I would turn planter among them: resolving in the meantime to find out some way to get my money, which I had left in London, remitted to me. To this purpose, getting a kind of letter of naturalisation, I purchased as much land that was uncured as my money would reach, and formed a plan for my plantation and settlement; such a one as might be suitable to the stock which I proposed to myself to receive from England.
Ik had een buurman, Wells genaamd, die te Lissabon, doch van Engelsche ouders geboren was, en zich nagenoeg in gelijke omstandigheden als ik bevond. Ik noem hem mijn buurman, om dat zijne plantaadje naast de mijne lag, en wij zeer vriendschappelijk omgingen. Mijn kapitaal was even gering als het zijne, en gedurende twee jaren plantten wij slechts, om onze dagelijksche nooddruft te winnen. Wij begonnen echter vooruit te gaan, en onze landerijen in orde te komen, zoodat wij in het derde jaar eenigen tabak plantten, en ieder eene groote plek gronds gereed maakten, om het volgend jaar suikerrietstekken op te zetten. Het ontbrak ons echter aan hulp, en nu gevoelde ik meer dan te voren, dat ik verkeerd gedaan had, mijn jongen, Xury, niet te houden.
I had a neighbour, a Portuguese, of Lisbon, but born of English parents, whose name was Wells, and in much such circumstances as I was. I call him my neighbour, because his plantation lay next to mine, and we went on very sociably together. My stock was but low, as well as his; and we rather planted for food than anything else, for about two years. However, we began to increase, and our land began to come into order; so that the third year we planted some tobacco, and made each of us a large piece of ground ready for planting canes in the year to come. But we both wanted help; and now I found, more than before, I had done wrong in parting with my boy Xury.
Maar helaas, was het wonder dat ik, die nimmer iets goed deed, zulk een misslag beging ! Er zat thans niet anders op dan vol te houden. Ik had thans een beroep, dat geheel strijdig was met mijn karakter, en met de levenswijze waarnaar ik haakte, waarvoor ik mijn vaders huis verlaten, en al zijn goeden raad in den wind had geslagen. Ja, ik was thans inderdaad in dien levenstoestand geraakt, waarvoor mijn vader mij gewaarschuwd had, en welken ik even goed had kunnen bereiken als ik te huis was gebleven, zonder mij ooit zoo in de wereld af te slooven, als ik gedaan had. Dikwijls zeide ik tot mijzelven: " Zoo had ik even goed in Engeland, onder mijne bloedverwanten, kunnen werken, en daarvoor behoefde ik geen 5000 (Eng. ) mijlen ver van huis te gaan, om dit onder vreemdelingen in eene wildernis te doen, zoo ver weg, dat ik nimmer iets van mijn vaderland, of iemand, die mij kent, hoor. "
But, alas! for me to do wrong that never did right, was no great wonder. I hail no remedy but to go on: I had got into an employment quite remote to my genius, and directly contrary to the life I delighted in, and for which I forsook my father’s house, and broke through all his good advice. Nay, I was coming into the very middle station, or upper degree of low life, which my father advised me to before, and which, if I resolved to go on with, I might as well have stayed at home, and never have fatigued myself in the world as I had done; and I used often to say to myself, I could have done this as well in England, among my friends, as have gone five thousand miles off to do it among strangers and savages, in a wilderness, and at such a distance as never to hear from any part of the world that had the least knowledge of me.
Aldus beschouwde ik mijn toestand met bittere spijt. Ik had niemand met wien ik omging, dan nu en dan met mijn buurman, waarvan ik gesproken heb; geen anderen, dan handenarbeid te verrigten, en ik leefde, gelijk ik dikwijls zeide, als iemand, die alleen op een woest eiland geworpen is. Maar o, hoe behoorden alle menschen te bedenken, dat, zoo zij den toestand, waarin zij zich bevinden, met een veel rampzaliger gelijk stellen, de Hemel hen noodzaken kan hunnen tegenwoordigen daarvoor te verwisselen, en hun vroeger geluk, door de ondervinding te leeren erkennen ! En hoe regtvaardig was het, dat juist dat eenzame leven op een woest eiland mij te beurt viel, mij, die het zoo dikwijls vergeleken had bij het leven dat ik toen leidde, en in hetwelk ik, naar alle waarschijnlijkheid, met der tijd, rijkdom en schatten zou verworven hebben.
In this manner I used to look upon my condition with the utmost regret. I had nobody to converse with, but now and then this neighbour; no work to be done, but by the labour of my hands; and I used to say, I lived just like a man cast away upon some desolate island, that had nobody there but himself. But how just has it been—and how should all men reflect, that when they compare their present conditions with others that are worse, Heaven may oblige them to make the exchange, and be convinced of their former felicity by their experience—I say, how just has it been, that the truly solitary life I reflected on, in an island of mere desolation, should be my lot, who had so often unjustly compared it with the life which I then led, in which, had I continued, I had in all probability been exceeding prosperous and rich.
Ik had reeds eenige maatregelen genomen om mij te vestigen, voor mijn goede vriend, de kapitein, die mij op zee opgenomen had, weder afzeilde, want hij had drie maanden in lading gelegen. Ik sprak hem over het geld, dat ik in Londen achtergelaten had, en hij gaf mij dezen welgezinden en opregten raad: " Senhor Inglese (want zoo noemde hij mij altijd ) als gij mij brieven en een volmagt geven wilt, met last aan den persoon, die in Londen uw geld heeft, van dit naar Lissabon te zenden, aan zoodanige lieden als ik u zal opgeven, en in goederen, die in dit land aftrek hebben, dan zal ik u, als het God behaagt, deze bij mijne terugkomst medebrengen; maar daar alle zaken aan tegenspoeden onderhevig zijn, zou ik u raden slechts 100 [ £ ] Sterl., dat, gelijk gij zegt, de helft van uw kapitaal is, op te vragen, en deze eerst wagen. Zoo die goed overkomen, kunt gij het overige op gelijke wijze ontbieden, en zoo het verloren gaat, hebt gij de andere helft nog. "
I was in some degree settled in my measures for carrying on the plantation before my kind friend, the captain of the ship that took me up at sea, went back—for the ship remained there, in providing his lading and preparing for his voyage, nearly three months—when telling him what little stock I had left behind me in London, he gave me this friendly and sincere advice:—“Seignior Inglese,” says he (for so he always called me), “if you will give me letters, and a procuration in form to me, with orders to the person who has your money in London to send your effects to Lisbon, to such persons as I shall direct, and in such goods as are proper for this country, I will bring you the produce of them, God willing, at my return; but, since human affairs are all subject to changes and disasters, I would have you give orders but for one hundred pounds sterling, which, you say, is half your stock, and let the hazard be run for the first; so that, if it come safe, you may order the rest the same way, and, if it miscarry, you may have the other half to have recourse to for your supply.”
Dit was zulk een verstandige en vriendelijke raad, dat ik niet twijfelen kon, of hij was de beste dien ik volgen kon; ik maakte dus brieven aan de weduwe, wie ik mijn geld achtergelaten had, en eene volmagt voor den Portugeschen kapitein, volgens zijn verlangen, gereed.
This was so wholesome advice, and looked so friendly, that I could not but be convinced it was the best course I could take; so I accordingly prepared letters to the gentlewoman with whom I had left my money, and a procuration to the Portuguese captain, as he desired.
Ik schreef aan de weduwe al mijne avonturen, mijne vlugt; hoe ik den Portugeschen kapitein op zee ontmoet had; hoe menschlievend hij zich gedragen had, en wijders alle aanwijzingen omtrent de overzending mijner gelden. Toen de brave kapitein te Lissabon kwam, vond hij gelegenheid dit door eenige Engelsche kooplieden aldaar, te doen toekomen aan een koopman te Londen; waarop zij niet alleen het geld gaf, maar bovendien den Portugeschen kapitein een fraai geschenk overzond, voor zijne menschlievende handelwijze jegens mij.
I wrote the English captain’s widow a full account of all my adventures—my slavery, escape, and how I had met with the Portuguese captain at sea, the humanity of his behaviour, and what condition I was now in, with all other necessary directions for my supply; and when this honest captain came to Lisbon, he found means, by some of the English merchants there, to send over, not the order only, but a full account of my story to a merchant in London, who represented it effectually to her; whereupon she not only delivered the money, but out of her own pocket sent the Portugal captain a very handsome present for his humanity and charity to me.
De koopman te Londen besteedde deze 100 [ £ ] aan Engelsche goederen, gelijk de kapitein opgegeven had, en zond die naar Lissabon, vanwaar hij ze allen behouden in Brazilië bragt. Hieronder had hij buiten mijn weten, (want ik was te onervaren in mijne zaken om er aan te denken ) gezorgd voor alle soorten van ijzerwerk en gereedschappen, die mij op mijne plantaadje noodig waren, en waar ik groot nut van trok.
The merchant in London, vesting this hundred pounds in English goods, such as the captain had written for, sent them directly to him at Lisbon, and he brought them all safe to me to the Brazils; among which, without my direction (for I was too young in my business to think of them), he had taken care to have all sorts of tools, ironwork, and utensils necessary for my plantation, and which were of great use to me.
Toen deze lading aankwam, achtte ik mijne fortuin gemaakt. Ik was verrukt van vreugde er over; en mijn goede vriend de kapitein had de 5 [ £ ] Sterl., die de weduwe hem tot een geschenk had gezonden, besteed, om voor mij een dienstknecht, die zich voor zes jaren verbonden had, aan te schaffen; en hij wilde niets van mij aannemen dan een weinig tabak, omdat ik dien zelf geteeld had.
When this cargo arrived I thought my fortune made, for I was surprised with the joy of it; and my stood steward, the captain, had laid out the five pounds, which my friend had sent him for a present for himself, to purchase and bring me over a servant, under bond for six years’ service, and would not accept of any consideration, except a little tobacco, which I would have him accept, being of my own produce.
Dit was echter nog niet alles; daar al mijne goederen Engelsche manufacturen waren, zoo als lakens, wollen stoffen, baai, enz., en alles dingen, die hier te lande bijzonder geacht en van waarde waren, kon ik dezelve zeer voordeelig verkoopen, zoodat ik zeggen kan, dat ik meer dan vier malen de waarde van mijne eerste lading had. Nu was ik mijn armen buurman oneindig ver vooruit, in den staat mijner plantaadje bedoel ik, want ik kocht een negerslaaf, en schafte mij ook een Europeschen knecht aan, behalve dien, welken de kapitein mij van Lissabon had medegebragt.
Neither was this all; for my goods being all English manufacture, such as cloths, stuffs, baize, and things particularly valuable and desirable in the country, I found means to sell them to a very great advantage; so that I might say I had more than four times the value of my first cargo, and was now infinitely beyond my poor neighbour—I mean in the advancement of my plantation; for the first thing I did, I bought me a negro slave, and an European servant also—I mean another besides that which the captain brought me from Lisbon.
Gelijk echter misbruikte voorspoed dikwijls de oorzaak van onzen tegenspoed is, zoo ging het ook met mij. Het volgende jaar ging het met mijne plantaadje zeer goed; ik trok van mijn eigen grond vijftig groote rollen tabak, ieder van meer dan 100 [ lb = gewicht ], en deze vijftig rollen werden gepakt en bleven liggen, in afwachting, dat de vloot van Lissabon zou terugkomen. En daar nu mijne bezigheden en goederen vermeerderden, begon ik over allerlei ontwerpen, en ondernemingen boven mijn bereik, te broeden, gelijk inderdaad dikwijls de verstandigste kooplieden het hoofd op hol brengen.
But as abused prosperity is oftentimes made the very means of our greatest adversity, so it was with me. I went on the next year with great success in my plantation: I raised fifty great rolls of tobacco on my own ground, more than I had disposed of for necessaries among my neighbours; and these fifty rolls, being each of above a hundredweight, were well cured, and laid by against the return of the fleet from Lisbon: and now increasing in business and wealth, my head began to be full of projects and undertakings beyond my reach; such as are, indeed, often the ruin of the best heads in business. Had I continued in the station I was now in, I had room for all the happy things to have yet befallen me for which my father so earnestly recommended a quiet, retired life, and of which he had so sensibly described the middle station of life to be full of; but other things attended me, and I was still to be the wilful agent of all my own miseries; and particularly, to increase my fault, and double the reflections upon myself, which in my future sorrows I should have leisure to make, all these miscarriages were procured by my apparent obstinate adhering to my foolish inclination of wandering abroad, and pursuing that inclination, in contradiction to the clearest views of doing myself good in a fair and plain pursuit of those prospects, and those measures of life, which nature and Providence concurred to present me with, and to make my duty.
Zoo ik in den stand gebleven was, waarin ik mij nu bevond, had ik ruimschoots al dat geluk kunnen genieten, waarvoor mijn vader mij een stil, rustig leven aanried; en waarvan, gelijk hij zeide, de middelbare stand overvloeide. Doch andere gebeurtenissen wachtten mij, en ik moest op nieuw de bewerker van mijn eigen ongeluk zijn. Wat mijn misslag vermeerderde, en in het vervolg mijn berouw verdubbelde: al mijne ongevallen waren het gevolg van mijn halsstarrig aanhoudend verlangen, om de wereld rond te zwerven, en van het opvolgen dezer begeerte, in weerwil van de duidelijkste vooruitzigten van welvaart en geluk, die de Voorzienigheid mij schonk.
As I had once done thus in my breaking away from my parents, so I could not be content now, but I must go and leave the happy view I had of being a rich and thriving man in my new plantation, only to pursue a rash and immoderate desire of rising faster than the nature of the thing admitted; and thus I cast myself down again into the deepest gulf of human misery that ever man fell into, or perhaps could be consistent with life and a state of health in the world.
Om dit wel te verstaan, moet men onderstellen, dat ik thans vier jaren in Brazilië gewoond had, dat ik thans het plantaadjewerk vrij wel begon te verstaan, en vooruit te gaan in welvaart. Ik had niet alleen de taal geleerd, maar ook met mijne medeplanters bekendschap gemaakt, zoo wel als met de kooplieden van San Salvador, dat onze haven was. In mijne gesprekken had ik hun dikwijls verhaald van mijne twee reizen naar de kust van Guinea; van de wijze, waarop daar de slavenhandel gedreven werd, en hoe gemakkelijk het daar op de kust viel, voor beuzelingen, zoo als kralen, snuisterijen, messen, scharen, bijlen, spiegeltjes, niet alleen goudstof en olifantstanden, maar ook Negers in te ruilen, ten dienste van dit land.
To come, then, by the just degrees to the particulars of this part of my story. You may suppose, that having now lived almost four years in the Brazils, and beginning to thrive and prosper very well upon my plantation, I had not only learned the language, but had contracted acquaintance and friendship among my fellow-planters, as well as among the merchants at St. Salvador, which was our port; and that, in my discourses among them, I had frequently given them an account of my two voyages to the coast of Guinea: the manner of trading with the negroes there, and how easy it was to purchase upon the coast for trifles—such as beads, toys, knives, scissors, hatchets, bits of glass, and the like—not only gold-dust, Guinea grains, elephants’ teeth, &c., but negroes, for the service of the Brazils, in great numbers.
Zij luisterden altijd zeer oplettend naar mijne gesprekken hierover, maar vooral naar datgene, wat betrekking tot het koopen van Negers had, een handel, die toen daar weinig gedreven werd, om dat men er assientos of verlofbrieven van de koningen van Spanje en Portugal toe moest hebben, zoodat er weinig Negers, en deze zeer duur, gekocht werden.
They listened always very attentively to my discourses on these heads, but especially to that part which related to the buying of negroes, which was a trade at that time, not only not far entered into, but, as far as it was, had been carried on by assientos, or permission of the kings of Spain and Portugal, and engrossed in the public stock: so that few negroes were bought, and these excessively dear.
Op zekeren dag was ik met eenige kooplieden en planters van mijne kennis hierover aan het praten. Den volgenden morgen kwamen drie hunner bij mij, en zeiden, dat zij zeer ernstig over het gesprek van den vorigen avond hadden nagedacht, en mij thans een voorstel kwamen doen. Na mij geheimhouding afgevraagd te hebben, zeiden zij mij, dat zij lust hadden een schip naar de kust van Guinea uit te rusten. Alle drie hadden plantaadjen zoo wel als ik, en zij hadden aan niets meer behoefte dan aan werklieden. Zij konden geen slavenhandel drijven, omdat de Negers in het openbaar moesten verkocht worden; dus wilden zij slechts ééne reis doen, de Negers heimelijk aan wal brengen, en die onderling op hunne plantaadjen verdeelen. Kortom, de vraag was, of ik als hun supercargo aan boord wilde gaan, om dien handel op de kust te drijven; daarvoor boden zij mij een gelijk aandeel in de Negers aan, zonder dat ik tot de uitrusting iets behoefde bij te dragen.
It happened, being in company with some merchants and planters of my acquaintance, and talking of those things very earnestly, three of them came to me next morning, and told me they had been musing very much upon what I had discoursed with them of the last night, and they came to make a secret proposal to me; and, after enjoining me to secrecy, they told me that they had a mind to fit out a ship to go to Guinea; that they had all plantations as well as I, and were straitened for nothing so much as servants; that as it was a trade that could not be carried on, because they could not publicly sell the negroes when they came home, so they desired to make but one voyage, to bring the negroes on shore privately, and divide them among their own plantations; and, in a word, the question was whether I would go their supercargo in the ship, to manage the trading part upon the coast of Guinea; and they offered me that I should have my equal share of the negroes, without providing any part of the stock.
Dit, moet men bekennen, was een verleidelijk voorstel, zoo het gedaan ware aan iemand, die geen eigen plantaadje te besturen had, welke fraai op weg was om van belang te worden, en die reeds van waarde was. Voor mij echter, gevestigd als ik was, die nog slechts drie of vier jaren zoo behoefde voort te gaan, en de andere 100 [ £ ] Sterl. uit Engeland te ontbieden, en alsdan zeker 3 tot 4000 [ £ ] Sterl. waarde bezitten zou; voor mij was zulk eene reis de onverstandigste zaak die ik bedenken kon.
This was a fair proposal, it must be confessed, had it been made to any one that had not had a settlement and a plantation of his own to look after, which was in a fair way of coming to be very considerable, and with a good stock upon it; but for me, that was thus entered and established, and had nothing to do but to go on as I had begun, for three or four years more, and to have sent for the other hundred pounds from England; and who in that time, and with that little addition, could scarce have failed of being worth three or four thousand pounds sterling, and that increasing too—for me to think of such a voyage was the most preposterous thing that ever man in such circumstances could be guilty of.
Maar ik, die altijd geneigd was mij zelven te verderven, kon evenmin dit aanbod weêrstaan, als mijn eerste verlangen om in de wereld rond te zwerven, hetgeen mijn vader mij zoo welmeenend afgeraden had. Ik zeide hun, dat ik gaarne vertrekken wilde, als zij mij beloofden in mijne afwezigheid het opzigt over mijne plantaadje te houden, en ingeval mij een ongeluk overkwam, daarmede te handelen, gelijk ik hun zou opgeven. Dit namen zij aan, en verbonden zich hier schriftelijk toe. Ik maakte een testament, en beschikte over mijne plantaadje en goederen, ingeval ik mogt komen te overlijden. Ik stelde tot mijn eenigsten erfgenaam den kapitein aan, die mij het leven gered had, onder verpligting van de helft mijner roerende goederen voor zich te houden, doch de andere helft naar Engeland te voeren.
But I, that was born to be my own destroyer, could no more resist the offer than I could restrain my first rambling designs when my father’ good counsel was lost upon me. In a word, I told them I would go with all my heart, if they would undertake to look after my plantation in my absence, and would dispose of it to such as I should direct, if I miscarried. This they all engaged to do, and entered into writings or covenants to do so; and I made a formal will, disposing of my plantation and effects in case of my death, making the captain of the ship that had saved my life, as before, my universal heir, but obliging him to dispose of my effects as I had directed in my will; one half of the produce being to himself, and the other to be shipped to England.
Kortom, ik nam alle mogelijke voorzorgen, ter bewaring mijner bezittingen. Zoo ik half zoo veel zorg betoond had voor mijn waar belang, zou ik zeker nimmer zulk eene voorspoedige zaak vaarwel gezegd hebben, om eene zeereis, met al hare gevaren, te gaan doen, zonder te rekenen hoe veel reden ik had van ongelukken voor mij te verwachten.
In short, I took all possible caution to preserve my effects and to keep up my plantation. Had I used half as much prudence to have looked into my own interest, and have made a judgment of what I ought to have done and not to have done, I had certainly never gone away from so prosperous an undertaking, leaving all the probable views of a thriving circumstance, and gone upon a voyage to sea, attended with all its common hazards, to say nothing of the reasons I had to expect particular misfortunes to myself.
Maar ik werd door mijne verbeelding weggesleept, en gehoorzaamde deze blindelings, zonder naar mijn verstand te luisteren. Toen dus het schip uitgerust, de lading gereed en alles met mijne medereeders geschikt was, ging ik wederom te kwader ure, scheep, den 1sten September 1659, denzelfden dag waarop ik acht jaren geleden, mijne ouders te Hull verlaten had, om hun gezag te braveren en mijn eigen belang tegen te werken.
But I was hurried on, and obeyed blindly the dictates of my fancy rather than my reason; and, accordingly, the ship being fitted out, and the cargo furnished, and all things done, as by agreement, by my partners in the voyage, I went on board in an evil hour, the 1st September 1659, being the same day eight years that I went from my father and mother at Hull, in order to act the rebel to their authority, and the fool to my own interests.
Ons schip was van ongeveer 120 ton, en voerde veertien man, behalve den kapitein, zijn jongen en ik. Wij hadden slechts weinig lading, behalve de snuisterijen, die voor den handel met de Negers geschikt waren, zoo als glazen kralen, spiegeltjes en dergelijke.
Our ship was about one hundred and twenty tons burden, carried six guns and fourteen men, besides the master, his boy, and myself. We had on board no large cargo of goods, except of such toys as were fit for our trade with the negroes, such as beads, bits of glass, shells, and other trifles, especially little looking-glasses, knives, scissors, hatchets, and the like.
Denzelfden dag, dat ik aan boord kwam, gingen wij onder zeil, en hielden het noordwaarts langs onze eigene kust, met oogmerk naar de Afrikaansche kust over te steken, als wij op de hoogte van 10° of 12° N. breedte zouden gekomen zijn, een koers dien men toen gewoonlijk hield, naar ik geloof. Wij hadden goed weder, maar uiterst warm, tot wij op de hoogte van kaap St. Augustijn kwamen, waar wij zeewaarts hielden en koers stelden, alsof wij naar het eiland Fernand de Norouba bestemd waren, koers stellende N.O. ten N. In ongeveer twaalf dagen passeerden wij de linie, en waren naar ons laatste bestek op 7°, 22 ' N. breedte, toen een geweldige tornado of orkaan ons geheel buiten ons bestek bragt. Deze begon in het Z.O., liep toen naar het N.W. en zette zich eindelijk in het N.O., waaruit hij zoo verschrikkelijk blies, dat wij twaalf dagen lang voor top en takel dreven, waar het lot en de wind ons heen voerde; en gedurende deze twaalf dagen behoef ik niet te zeggen, dat ik alle dagen verwachtte te vergaan, en niemand aan boord dacht er het leven af te brengen.
The same day I went on board we set sail, standing away to the northward upon our own coast, with design to stretch over for the African coast when we came about ten or twelve degrees of northern latitude, which, it seems, was the manner of course in those days. We had very good weather, only excessively hot, all the way upon our own coast, till we came to the height of Cape St. Augustino; from whence, keeping further off at sea, we lost sight of land, and steered as if we were bound for the isle Fernando de Noronha, holding our course N.E. by N., and leaving those isles on the east. In this course we passed the line in about twelve days’ time, and were, by our last observation, in seven degrees twenty-two minutes northern latitude, when a violent tornado, or hurricane, took us quite out of our knowledge. It began from the south-east, came about to the north-west, and then settled in the north-east; from whence it blew in such a terrible manner, that for twelve days together we could do nothing but drive, and, scudding away before it, let it carry us whither fate and the fury of the winds directed; and, during these twelve days, I need not say that I expected every day to be swallowed up; nor, indeed, did any in the ship expect to save their lives.
Behalve dezen woedenden storm, hadden wij ook nog het ongeluk, een man aan de heete koorts te verliezen, en een man en een jongen werden over boord geslagen. Toen het weder op den twaalfden dag wat bedaarde, maakte de kapitein zijn bestek op, zoo goed als hij kon, en bevond, dat hij op ongeveer 11° N. breedte was, maar dat hij op 22° lengte bewesten kaap St. Augustijn was; zoodat hij berekende op de kust van Guiana of het noordergedeelte van Brazilië te zijn, tusschen de Amazonerivier en de Orenoko, gewoonlijk de Groote Rivier genaamd. Thans was de vraag welken koers te houden, want het schip was lek en zeer ontzet; en de kapitein was er voor regt naar de Brazilische kust terug te keeren.
In this distress we had, besides the terror of the storm, one of our men die of the calenture, and one man and the boy washed overboard. About the twelfth day, the weather abating a little, the master made an observation as well as he could, and found that he was in about eleven degrees north latitude, but that he was twenty-two degrees of longitude difference west from Cape St. Augustino; so that he found he was upon the coast of Guiana, or the north part of Brazil, beyond the river Amazon, toward that of the river Orinoco, commonly called the Great River; and began to consult with me what course he should take, for the ship was leaky, and very much disabled, and he was going directly back to the coast of Brazil.
Hier was ik stellig tegen; en toen wij bij het nazien der kaarten van de Amerikaansche kusten zagen, dat er geen ander bewoond eiland was, waar wij hulp konden verwachten, voor dat wij de Caraïben bereikten, besloten wij naar Barbados koers te stellen, hetwelk wij gemakkelijk in vijftien dagen zeilens hoopten te kunnen doen, als wij hooger in zee opwerkten, om den Mexikaanschen Golfstroom te vermijden. Het was ons onmogelijk zonder hulp onze reis naar de kust van Afrika voort te zetten.
I was positively against that; and looking over the charts of the sea-coast of America with him, we concluded there was no inhabited country for us to have recourse to till we came within the circle of the Caribbee Islands, and therefore resolved to stand away for Barbadoes; which, by keeping off at sea, to avoid the indraft of the Bay or Gulf of Mexico, we might easily perform, as we hoped, in about fifteen days’ sail; whereas we could not possibly make our voyage to the coast of Africa without some assistance both to our ship and to ourselves.
Ten dien einde veranderden wij van koers en stuurden N.W. ten W., ten einde een der Engelsche eilanden te bereiken. Maar onze reis was anders bepaald, want op 12°, 15 ' breedte gekomen, sloeg een tweede storm ons even geweldig westwaarts, en voerde ons buiten alle handelswegen van beschaafde volkeren. Zoo dus al ons leven op zee gespaard werd, hadden wij meer kans van door wilden vermoord te worden, dan ooit ons vaderland weder te zien.
With this design we changed our course, and steered away N.W. by W., in order to reach some of our English islands, where I hoped for relief. But our voyage was otherwise determined; for, being in the latitude of twelve degrees eighteen minutes, a second storm came upon us, which carried us away with the same impetuosity westward, and drove us so out of the way of all human commerce, that, had all our lives been saved as to the sea, we were rather in danger of being devoured by savages than ever returning to our own country.
In dezen nood, en terwijl de wind nog zeer hevig was, riep een van ons volk op een morgen: " Land ! " en naauwelijks waren wij uit de kajuit gekomen, in de hoop van te kunnen zien in wat hoek van de wereld wij waren, of het schip stiet op eene zandbank, en in een oogenblik sloeg de zee er zoo geweldig over heen, dat wij alle oogenblikken dachten te vergaan, en wij naar omlaag moesten gaan, om ons voor de golven te beschutten. Iemand, die zoo iets nimmer bijgewoond heeft, kan moeijelijk de heerschende ontsteltenis begrijpen.
In this distress, the wind still blowing very hard, one of our men early in the morning cried out, “Land!” and we had no sooner run out of the cabin to look out, in hopes of seeing whereabouts in the world we were, than the ship struck upon a sand, and in a moment her motion being so stopped, the sea broke over her in such a manner that we expected we should all have perished immediately; and we were immediately driven into our close quarters, to shelter us from the very foam and spray of the sea.
Wij wisten niet waar wij waren, noch op welk land wij geworpen waren; of het een eiland of vast land, bewoond of onbewoond was. Daar de wind nog hevig was, schoon het niet meer zoo geweldig stormde, konden wij niet hopen, dat het schip het langer dan eenige minuten kon houden, zonder verbrijzeld te worden, ten ware de wind, door een wonder, onmiddellijk omliep. Kortom, wij zagen elkander aan, en verwachtten elk oogenblik den dood; ons voorbereidende op den overgang in eene andere wereld, want in deze hadden wij weinig meer te verrigten. Onze eenigste hoop was, dat het schip nog heel bleef, en de kapitein opmerkte, dat de wind begon te gaan liggen. Maar al bedaarde de wind ook, dan bleef onze toestand toch vreesselijk. Ons schip zat zoo vast, dat wij niet hopen konden het weder vlot te krijgen, en wij moesten slechts denken, het lijf er af te brengen. Wij hadden de boot aan den spiegel hangen toen de storm begon, maar zij was eerst tegen het roer beschadigd en vervolgens door de zeeën verbrijzeld of weggeslagen; in een woord deze was voor ons verloren. Wij hadden nog wel eene boot op het dek, maar of wij die in zee konden brengen was twijfelachtig. Er was echter geen tijd tot beraad, want alle oogenblikken wachtten wij, dat het schip in stukken zou breken, en sommigen riepen, dat het al verbrijzeld was.
It is not easy for any one who has not been in the like condition to describe or conceive the consternation of men in such circumstances. We knew nothing where we were, or upon what land it was we were driven—whether an island or the main, whether inhabited or not inhabited. As the rage of the wind was still great, though rather less than at first, we could not so much as hope to have the ship hold many minutes without breaking into pieces, unless the winds, by a kind of miracle, should turn immediately about. In a word, we sat looking upon one another, and expecting death every moment, and every man, accordingly, preparing for another world; for there was little or nothing more for us to do in this. That which was our present comfort, and all the comfort we had, was that, contrary to our expectation, the ship did not break yet, and that the master said the wind began to abate. Now, though we thought that the wind did a little abate, yet the ship having thus struck upon the sand, and sticking too fast for us to expect her getting off, we were in a dreadful condition indeed, and had nothing to do but to think of saving our lives as well as we could. We had a boat at our stern just before the storm, but she was first staved by dashing against the ship’s rudder, and in the next place she broke away, and either sunk or was driven off to sea; so there was no hope from her. We had another boat on board, but how to get her off into the sea was a doubtful thing. However, there was no time to debate, for we fancied that the ship would break in pieces every minute, and some told us she was actually broken already.
In dezen nood sloeg de stuurman het eerst handen aan het werk, en bragt met hulp van het volk, de boot uit, en wij gingen allen er in, lieten de vanglijn los, en ons op Gods genade drijven, want de zee ging nog geweldig hoog op het strand. Wij zagen allen duidelijk in, dat de zee zoo hoog stond, dat de boot het niet houden kon en wij ontwijfelbaar moesten verdrinken.
In this distress the mate of our vessel laid hold of the boat, and with the help of the rest of the men got her slung over the ship’s side; and getting all into her, let go, and committed ourselves, being eleven in number, to God’s mercy and the wild sea; for though the storm was abated considerably, yet the sea ran dreadfully high upon the shore, and might be well called _den wild zee_, as the Dutch call the sea in a storm.
Zeil hadden wij niet, en hadden het toch ook niet kunnen gebruiken; dus roeiden wij naar het land, schoon met bezwaarde harten, als mannen, die hun doodvonnis te gemoet gingen, want wij allen wisten zeer goed, dat als wij digt bij het strand kwamen, de branding alsdan de boot in duizend stukken zou verbrijzelen. Wij bevalen Gode onze ziel, en terwijl de wind ons naar de kust dreef, verhaastten wij de beslissing van ons lot, door zoo hard wij konden naar den wal te roeijen. Hoe het strand was, klippen of zand, steil of effen wisten wij niet; de eenigste zweem van hoop die wij nog konden koesteren, was, dat wij bij geluk in eene baai of golf, of in den mond van eene of andere rivier komen mogten, waar wij door bijzonder toeval onze boot inbragten, of dat wij aan lager wal van het land en daardoor in stil water geraakten. Er was echter niets dat daarnaar geleek, maar toen wij digter bij het strand kwamen, zag het land er nog veel verschrikkelijker uit dan de zee. Na, naar gissing, ongeveer anderhalve mijl roeijens of liever drijvens, kwam eene geweldige zee achter ons aan rollen, en gaf ons duidelijk te kennen, dat dit onze genadeslag was. Zij sloeg met zoo veel geweld over ons heen, dat de boot dadelijk omsloeg, en ons zoo wel van de boot als van elkander scheidde, zoo dat wij naauwelijks konden uitroepen: " o, God ! " want wij waren in een oogenblik allen door de zee verzwolgen.
And now our case was very dismal indeed; for we all saw plainly that the sea went so high that the boat could not live, and that we should be inevitably drowned. As to making sail, we had none, nor if we had could we have done anything with it; so we worked at the oar towards the land, though with heavy hearts, like men going to execution; for we all knew that when the boat came near the shore she would be dashed in a thousand pieces by the breach of the sea. However, we committed our souls to God in the most earnest manner; and the wind driving us towards the shore, we hastened our destruction with our own hands, pulling as well as we could towards land. What the shore was, whether rock or sand, whether steep or shoal, we knew not. The only hope that could rationally give us the least shadow of expectation was, if we might find some bay or gulf, or the mouth of some river, where by great chance we might have run our boat in, or got under the lee of the land, and perhaps made smooth water. But there was nothing like this appeared; but as we made nearer and nearer the shore, the land looked more frightful than the sea. After we had rowed, or rather driven about a league and a half, as we reckoned it, a raging wave, mountain-like, came rolling astern of us, and plainly bade us expect the _coup de grâce_. It took us with such a fury, that it overset the boat at once; and separating us as well from the boat as from one another, gave us no time to say, “O God!” for we were all swallowed up in a moment.
Ik kan niet beschrijven welke verwarring van denkbeelden ik gevoelde, toen ik in het water zonk; want schoon ik zeer goed zwem, kon ik mij niet zoo uit de golven opheffen, dat ik adem kon halen, totdat de golf mij een groot eind naar den wal gedragen of liever geworpen hebbende, daar brak en terug liep, en mij op het land bijkans droog, maar half dood van het ingezwolgen water, achterliet. Ik had zoo veel tegenwoordigheid van geest, en kracht nog dat ik, ziende, dat ik digter bij het vaste land was dan ik verwachtte, op de been sprong en zoo snel ik kon, naar het land trachtte te loopen, voor eene andere golf mij inhaalde en weder wegrukte. Spoedig vond ik echter, dat dit onmogelijk was, want ik zag de zee achter mij aan komen opzetten, zoo hoog als een hooge heuvel, en verwoed als een vijand, waartegen ik niet opgewassen was. Mij schoot niet anders over dan mijn adem in te houden, en als ik kon mij boven water te houden, en zoo, door te zwemmen, mij zoo mogelijk naar de kust te laten brengen. Mijne grootste vrees was dat de zee, die mij op het strand sloeg, mij, als zij terug liep, weder in zee mogt slepen.
Nothing can describe the confusion of thought which I felt when I sank into the water; for though I swam very well, yet I could not deliver myself from the waves so as to draw breath, till that wave having driven me, or rather carried me, a vast way on towards the shore, and having spent itself, went back, and left me upon the land almost dry, but half dead with the water I took in. I had so much presence of mind, as well as breath left, that seeing myself nearer the mainland than I expected, I got upon my feet, and endeavoured to make on towards the land as fast as I could before another wave should return and take me up again; but I soon found it was impossible to avoid it; for I saw the sea come after me as high as a great hill, and as furious as an enemy, which I had no means or strength to contend with: my business was to hold my breath, and raise myself upon the water if I could; and so, by swimming, to preserve my breathing, and pilot myself towards the shore, if possible, my greatest concern now being that the sea, as it would carry me a great way towards the shore when it came on, might not carry me back again with it when it gave back towards the sea.
De eerste zee, die weder opkwam, ging omtrent twintig of dertig voet over mij heen, en ik gevoelde, dat ik met ontzettend geweld en snelheid naar het strand werd gedreven. Ik hield den adem in, en trachtte zoo veel ik kon vooruit te komen. Ik kon eindelijk niet langer den adem inhouden, toen ik gevoelde dat ik oprees, en mijn hoofd en handen boven het water uitkwamen. Dit duurde geen twee sekonden, maar gaf mij den tijd adem te halen. Wederom werd ik door het water overstelpt, maar niet zoo lang of ik kon het uithouden, en bemerkende, dat het water terugliep, zwom ik daar tegen in, en gevoelde weder grond. Nog een oogenblik stond ik stil om adem te halen, en tot ik van het water vrij was; toen zette ik het op een loopen, zoo snel ik kon naar het land. Maar ik kon de woede van eene volgende zee niet ontgaan, die weder achter mij aankwam, en nog twee malen werd ik door de golven opgeligt en als de vorige reizen voortgestuwd, want het strand was zeer vlak.
The wave that came upon me again buried me at once twenty or thirty feet deep in its own body, and I could feel myself carried with a mighty force and swiftness towards the shore—a very great way; but I held my breath, and assisted myself to swim still forward with all my might. I was ready to burst with holding my breath, when, as I felt myself rising up, so, to my immediate relief, I found my head and hands shoot out above the surface of the water; and though it was not two seconds of time that I could keep myself so, yet it relieved me greatly, gave me breath, and new courage. I was covered again with water a good while, but not so long but I held it out; and finding the water had spent itself, and began to return, I struck forward against the return of the waves, and felt ground again with my feet. I stood still a few moments to recover breath, and till the waters went from me, and then took to my heels and ran with what strength I had further towards the shore. But neither would this deliver me from the fury of the sea, which came pouring in after me again; and twice more I was lifted up by the waves and carried forward as before, the shore being very flat.
De laatste maal dat dit gebeurde was het bijkans noodlottig met mij afgeloopen; want nadat de zee mij, gelijk te voren, naar land had gesleept, wierp zij mij tegen eene klip, en dat met zoo veel geweld, dat ik bewusteloos nederzeeg. De stoot, dien ik op mijne zijde en borst ontving, benam mij den adem, en zoo de zee onmiddellijk terug gekomen ware, zou ik verstikt zijn in het water; maar voor dat dit gebeurde, was ik een weinig tot mij zelven gekomen, en ziende, dat de zee weder over mij heen zou slaan, besloot ik mij aan een stuk van de rots vast te houden, zoo mogelijk, tot de golf terug liep. Daar nu de golven zoo hoog niet meer liepen, omdat ik digt bij het land was, hield ik het staande tot de golf terug liep, en nam toen weder een loopje, dat mij zoo digt bij het strand bragt, dat de volgende golf, schoon die over mij heen sloeg, mij niet medesleepte, en toen bereikte ik, met nog een loopje, den vasten wal, waar ik, zeer tot mijne vreugde, de klippen van het strand overklom en op het gras ging zitten, gered uit het gevaar, en buiten bereik der golven.
The last time of these two had well-nigh been fatal to me, for the sea having hurried me along as before, landed me, or rather dashed me, against a piece of rock, and that with such force, that it left me senseless, and indeed helpless, as to my own deliverance; for the blow taking my side and breast, beat the breath as it were quite out of my body; and had it returned again immediately, I must have been strangled in the water; but I recovered a little before the return of the waves, and seeing I should be covered again with the water, I resolved to hold fast by a piece of the rock, and so to hold my breath, if possible, till the wave went back. Now, as the waves were not so high as at first, being nearer land, I held my hold till the wave abated, and then fetched another run, which brought me so near the shore that the next wave, though it went over me, yet did not so swallow me up as to carry me away; and the next run I took, I got to the mainland, where, to my great comfort, I clambered up the cliffs of the shore and sat me down upon the grass, free from danger and quite out of the reach of the water.
Ik was nu aan land en begon rond te zien en God voor mijn behoud te danken, in een geval waarin, eenige oogenblikken te voren, schier geene hoop op redding was. Ik geloof, dat het onmogelijk is de verrukking te schilderen, die men gevoelt als men zoo, als het ware uit het graf zelf gered wordt, en het verwondert mij thans niet meer, dat men gewoon is, als een ter dood veroordeelde genade ontvangt, tevens een heelmeester te zenden, om hem ader te laten zoodra hij het verneemt, ten einde de verrassing hem niet zou dooden.
I was now landed and safe on shore, and began to look up and thank God that my life was saved, in a case wherein there was some minutes before scarce any room to hope. I believe it is impossible to express, to the life, what the ecstasies and transports of the soul are, when it is so saved, as I may say, out of the very grave: and I do not wonder now at the custom, when a malefactor, who has the halter about his neck, is tied up, and just going to be turned off, and has a reprieve brought to him—I say, I do not wonder that they bring a surgeon with it, to let him blood that very moment they tell him of it, that the surprise may not drive the animal spirits from the heart and overwhelm him.
Ik liep het strand langs, met opgeheven handen, en geheel verloren in het denkbeeld van mijne redding, terwijl ik duizend gebaren en bewegingen maakte, als ik bedacht, dat al mijne makkers verdronken waren, en niemand gered was dan ik alleen; want ik zag van hen niets weder dan naderhand twee of drie hoeden, eene muts en twee schoenen, die niet bij elkander behoorden. Toen ik naar het gestrande schip zag, hetwelk zoo ver lag, dat ik het door het schuim en spatten der zee naauwelijks zien kon, stond ik op nieuw verbaasd hoe het mogelijk was, dat ik gered had kunnen worden !
“For sudden joys, like griefs, confound at first.” I walked about on the shore lifting up my hands, and my whole being, as I may say, wrapped up in a contemplation of my deliverance; making a thousand gestures and motions, which I cannot describe; reflecting upon all my comrades that were drowned, and that there should not be one soul saved but myself; for, as for them, I never saw them afterwards, or any sign of them, except three of their hats, one cap, and two shoes that were not fellows. I cast my eye to the stranded vessel, when, the breach and froth of the sea being so big, I could hardly see it, it lay so far of; and considered, Lord! how was it possible I could get on shore?
Na door deze overwegingen mij met het troostrijke gedeelte van mijn toestand bekend gemaakt te hebben, begon ik rond te zien, op welke soort van plaats ik was, en wat mij thans te doen stond. Spoedig ontdekte ik, dat ik eene vreesselijke bevrijding had gedaan, want ik was nat, had geene andere drooge kleederen, noch iets te eten of te drinken. Ik zag ook geen ander vooruitzigt dan om van honger te sterven, of door wilde beesten verscheurd te worden. Wat mij tevens niet weinig neêrslagtig maakte, was, dat ik geen wapen had om eenig beest tot mijn voedsel, te dooden, of om mij te verdedigen tegen hen, die mij welligt tot voedsel zouden begeeren. Ik had niets bij mij dan een mes, eene pijp en eenigen tabak in eene doos; dit was al mijn voorraad, hetgeen mij zoo beangst maakte, dat ik eene poos als buiten mijne zinnen was. Toen de avond viel, begon ik met een bezwaard hart te bedenken wat mijn lot zou zijn, als er in dit land verscheurende dieren waren; omdat deze altijd des nachts op roof uitgaan.
After I had solaced my mind with the comfortable part of my condition, I began to look round me, to see what kind of place I was in, and what was next to be done; and I soon found my comforts abate, and that, in a word, I had a dreadful deliverance; for I was wet, had no clothes to shift me, nor anything either to eat or drink to comfort me; neither did I see any prospect before me but that of perishing with hunger or being devoured by wild beasts; and that which was particularly afflicting to me was, that I had no weapon, either to hunt and kill any creature for my sustenance, or to defend myself against any other creature that might desire to kill me for theirs. In a word, I had nothing about me but a knife, a tobacco-pipe, and a little tobacco in a box. This was all my provisions; and this threw me into such terrible agonies of mind, that for a while I ran about like a madman. Night coming upon me, I began with a heavy heart to consider what would be my lot if there were any ravenous beasts in that country, as at night they always come abroad for their prey.
Het eenigste middel wat mij te binnen schoot, was op een digtbegroeiden boom te gaan zitten, eene soort van den, maar doornachtig, die digt bij mij stond en waarop ik besloot den geheelen nacht te blijven zitten, en den volgenden dag te overdenken welken dood ik zou sterven, want ik zag geene andere uitkomst voor mij. Ik liep een eind weegs van het strand af, om drinkbaar water te zoeken, dat ik gelukkig vond. Na gedronken, en voor den honger wat tabak in den mond genomen te hebben, klom ik in den boom, en na een korten stok tot mijne verdediging, daar af te hebben gesneden, viel ik, daar ik zeer vermoeid was, in slaap. Ik sliep zoo gerust, als weinigen in mijn toestand zouden gedaan hebben, en ik geloof, dat nimmer een slaap mij zoo verkwikt heeft.
All the remedy that offered to my thoughts at that time was to get up into a thick bushy tree like a fir, but thorny, which grew near me, and where I resolved to sit all night, and consider the next day what death I should die, for as yet I saw no prospect of life. I walked about a furlong from the shore, to see if I could find any fresh water to drink, which I did, to my great joy; and having drank, and put a little tobacco into my mouth to prevent hunger, I went to the tree, and getting up into it, endeavoured to place myself so that if I should sleep I might not fall. And having cut me a short stick, like a truncheon, for my defence, I took up my lodging; and having been excessively fatigued, I fell fast asleep, and slept as comfortably as, I believe, few could have done in my condition, and found myself more refreshed with it than, I think, I ever was on such an occasion.
CHAPTER IV—FIRST WEEKS ON THE ISLAND
Toen ik ontwaakte was het helder dag, fraai weder en de storm bedaard, zoodat de zee kalm was. Tot mijne verbazing zag ik, dat het schip des nachts, van de zandbank, waarop het lag, door den vloed vlot geraakt, en tot bij de klip gedreven was, waar ik, gelijk ik zeide, zoo tegen aan was geworpen. Daar het dus nu slechts eene (Eng. ) mijl van den wal aflag, wenschte ik, dat ik aan boord was, om ten minste eenige noodwendigheden voor mij te redden.
When I waked it was broad day, the weather clear, and the storm abated, so that the sea did not rage and swell as before. But that which surprised me most was, that the ship was lifted off in the night from the sand where she lay by the swelling of the tide, and was driven up almost as far as the rock which I at first mentioned, where I had been so bruised by the wave dashing me against it. This being within about a mile from the shore where I was, and the ship seeming to stand upright still, I wished myself on board, that at least I might save some necessary things for my use.
Toen ik mijne slaapplaats in den boom verliet, zag ik nogmaals in het rond, en het eerst wat ik bespeurde was de sloep, die ongeveer een half uur regts van mij, op het strand lag, waar de wind en de golven haar geworpen hadden. Ik ging in die rigting de kust langs, om bij haar te komen, maar trof een inham of kreek aan, die mij dit belette. Ik keerde dus terug, daar ik voor het oogenblik voornamelijk verlangde het schip te bereiken, waar ik eenig voedsel voor mij hoopte te vinden.
When I came down from my apartment in the tree, I looked about me again, and the first thing I found was the boat, which lay, as the wind and the sea had tossed her up, upon the land, about two miles on my right hand. I walked as far as I could upon the shore to have got to her; but found a neck or inlet of water between me and the boat which was about half a mile broad; so I came back for the present, being more intent upon getting at the ship, where I hoped to find something for my present subsistence.
Kort na den middag werd de zee zeer kalm, en het getij liep zoo laag, dat ik het schip tot op een vierde mijl kon bereiken. Hier vond ik nieuwe reden tot droefheid; want ik zag duidelijk, dat, zoo wij allen aan boord gebleven waren, wij gered zouden geweest zijn; althans hadden wij allen behouden aan den wal kunnen komen; en mij had het ongeluk niet getroffen van allen troost en alle gezelschap beroofd te zijn, gelijk thans het geval was. Deze gedachte perste mij de tranen uit de oogen, maar deze baatten mij weinig, en ik besloot zoo mogelijk het schip te bereiken. Ik ontkleedde mij, want het was smoor heet, en ging te water; maar toen ik het schip bereikte, wist ik niet hoe ik aan boord zou komen. Het lag hoog en droog, en ik zag niets dat ik grijpen kon. Twee maal zwom ik er omheen, en de derde maal ontdekte ik een dun touw, dat over de fokkerusten hing, zoo laag, dat ik het met moeite kon bereiken, en met behulp er van op het voorschip komen. Hier zag ik, dat het schip gebarsten was en vrij wat water in het ruim had; maar het lag zoo op eene bank van hard zand of liever aarde, dat het van achteren hoog op de bank, en met den kop bijkans in het water lag; hierdoor was het geheele achterschip heel, en al wat daar was, droog gebleven. Mijne eerste zorg was te onderzoeken wat beschadigd en wat goed gebleven was, gelijk men wel gelooven zal. Ik vond, dat al de provisie droog en goed gebleven was, en daar ik uitgehongerd was, vulde ik mijne zakken met beschuit, en at die op, terwijl ik naar andere dingen rondzag, want ik had geen tijd te verliezen. Ik vond ook wat rum in de groote kajuit, en nam eene goede teug, die ik wel noodig had, om mij kracht te geven tot al wat ik nog te doen had.
A little after noon I found the sea very calm, and the tide ebbed so far out that I could come within a quarter of a mile of the ship. And here I found a fresh renewing of my grief; for I saw evidently that if we had kept on board we had been all safe—that is to say, we had all got safe on shore, and I had not been so miserable as to be left entirety destitute of all comfort and company as I now was. This forced tears to my eyes again; but as there was little relief in that, I resolved, if possible, to get to the ship; so I pulled off my clothes—for the weather was hot to extremity—and took the water. But when I came to the ship my difficulty was still greater to know how to get on board; for, as she lay aground, and high out of the water, there was nothing within my reach to lay hold of. I swam round her twice, and the second time I spied a small piece of rope, which I wondered I did not see at first, hung down by the fore-chains so low, as that with great difficulty I got hold of it, and by the help of that rope I got up into the forecastle of the ship. Here I found that the ship was bulged, and had a great deal of water in her hold, but that she lay so on the side of a bank of hard sand, or, rather earth, that her stern lay lifted up upon the bank, and her head low, almost to the water. By this means all her quarter was free, and all that was in that part was dry; for you may be sure my first work was to search, and to see what was spoiled and what was free. And, first, I found that all the ship’s provisions were dry and untouched by the water, and being very well disposed to eat, I went to the bread room and filled my pockets with biscuit, and ate it as I went about other things, for I had no time to lose. I also found some rum in the great cabin, of which I took a large dram, and which I had, indeed, need enough of to spirit me for what was before me. Now I wanted nothing but a boat to furnish myself with many things which I foresaw would be very necessary to me.
Nu had ik slechts eene boot noodig, om mij van vele dingen te voorzien, die ik voorzag, dat mij van veel nut zouden zijn. Stil te zitten en te wenschen naar wat ik niet had, baatte mij echter weinig, en de nood scherpte mijn vernuft. Wij hadden verscheidene waarlooze rondhouten, twee of drie marsstengen, en een paar waarlooze marszera's aan boord. Ik besloot deze te gebruiken, en werkte er zooveel over boord als hare zwaarte dit toeliet, na aan ieder een touw gebonden te hebben, voor het wegdrijven. Nadat dit gedaan was, ging ik over boord, trok ze naar mij toe, en bond er zoo goed ik kon vier van aan beide einden vast, in den vorm van een vlot, en na er twee of drie korte planken kruiselings over gelegd te hebben, vond ik, dat ik er vrij wel over loopen kon, maar dat het niet veel zwaarte dragen kon, omdat de stukken hout te ligt waren, dus ging ik aan het werk, en zaagde met des timmermans zaag, een waarlooze steng in drieën, en maakte deze stukken aan mijn vlot vast, met veel arbeid en moeite, maar de hoop, mij van vele noodwendigheden te voorzien, deed mij boven mijn vermogen werken.
It was in vain to sit still and wish for what was not to be had; and this extremity roused my application. We had several spare yards, and two or three large spars of wood, and a spare topmast or two in the ship; I resolved to fall to work with these, and I flung as many of them overboard as I could manage for their weight, tying every one with a rope, that they might not drive away. When this was done I went down the ship’s side, and pulling them to me, I tied four of them together at both ends as well as I could, in the form of a raft, and laying two or three short pieces of plank upon them crossways, I found I could walk upon it very well, but that it was not able to bear any great weight, the pieces being too light. So I went to work, and with a carpenter’s saw I cut a spare topmast into three lengths, and added them to my raft, with a great deal of labour and pains. But the hope of furnishing myself with necessaries encouraged me to go beyond what I should have been able to have done upon another occasion.
Thans was mijn vlot sterk genoeg, om eene tamelijke zwaarte te dragen. Het voornaamste was thans te weten wat ik er op laden zou, en hoe ik, hetgeen er op lag, voor de branding zou bewaren, doch hierover bedacht ik mij niet lang. Ik legde er eerst al de planken op, die ik bekomen kon, en na wel overwogen te hebben, wat ik het meest noodig had, maakte ik drie matrozenkisten ledig, en streek die op het vlot. De eerste vulde ik met eetwaren, te weten brood, rijst, drie Hollandsche kazen, vijf stukken gedroogd geitenvleesch, dat wij veel aten, en een klein weinig Europeesch koorn, dat wij voor eenig gevogelte aan boord hadden genomen, hetgeen echter reeds geslagt was. Er was eenige garst en tarwe onder elkander aan boord geweest, maar tot mijne spijt vond ik, dat de ratten het alles opgegeten of oneetbaar gemaakt hadden. Ik vond verscheidene flesschenkelders van den kapitein met sterken drank, en in het geheel ongeveer vijf of zes gallons arak; deze plaatste ik los op het vlot, daar ik ze niet in de kist kon bergen. Toen ik hiermede bezig was, begon de vloed door te komen, en ik had het verdriet van mijn buis, hemd en vest, die ik aan het strand gelegd had, te zien wegdrijven. Mijn linnen broek en kousen had ik aangehouden, toen ik naar het schip zwom. Dit deed mij echter naar kleederen zoeken, die ik genoeg vond; maar waarvan ik geen meer medenam, dan ik oogenblikkelijk noodig had, want ik had andere dingen op het oog; en in de eerste plaats, gereedschap om mede te werken. Na lang zoeken vond ik de timmermanskist, dat inderdaad een belangrijke vond voor mij was, en toen van meer waarde voor mij dan eene scheepslading goud. Ik bragt die geheel op mijn vlot, zonder mij den tijd te gunnen van na te zien wat er in was, want dit wist ik over het geheel wel.
My raft was now strong enough to bear any reasonable weight. My next care was what to load it with, and how to preserve what I laid upon it from the surf of the sea; but I was not long considering this. I first laid all the planks or boards upon it that I could get, and having considered well what I most wanted, I got three of the seamen’s chests, which I had broken open, and emptied, and lowered them down upon my raft; the first of these I filled with provisions—viz. bread, rice, three Dutch cheeses, five pieces of dried goat’s flesh (which we lived much upon), and a little remainder of European corn, which had been laid by for some fowls which we brought to sea with us, but the fowls were killed. There had been some barley and wheat together; but, to my great disappointment, I found afterwards that the rats had eaten or spoiled it all. As for liquors, I found several, cases of bottles belonging to our skipper, in which were some cordial waters; and, in all, about five or six gallons of rack. These I stowed by themselves, there being no need to put them into the chest, nor any room for them. While I was doing this, I found the tide begin to flow, though very calm; and I had the mortification to see my coat, shirt, and waistcoat, which I had left on the shore, upon the sand, swim away. As for my breeches, which were only linen, and open-kneed, I swam on board in them and my stockings. However, this set me on rummaging for clothes, of which I found enough, but took no more than I wanted for present use, for I had others things which my eye was more upon—as, first, tools to work with on shore. And it was after long searching that I found out the carpenter’s chest, which was, indeed, a very useful prize to me, and much more valuable than a shipload of gold would have been at that time. I got it down to my raft, whole as it was, without losing time to look into it, for I knew in general what it contained.
Thans was mijne zorg voor wapens en kruid en lood. Er waren in de kajuit twee zeer goede jagtgeweren en twee pistolen; deze nam ik eerst met eenige kruidhorens, en een zakje met kogels. Ik wist, dat er drie vaatjes kruid aan boord waren, maar niet waar de konstapel ze gestuwd had. Na veel zoekens vond ik ze echter; twee waren droog en goed gebleven, het derde was vochtig; deze twee bragt ik met de wapens op het vlot. En nu begreep ik vrij goed geladen te zijn, en begon er aan te denken, hoe ik mijne lading aan wal zou brengen, daar ik zeilen, riemen, noch roer had, en het minste aanwakkeren van den wind al mijne zeemanschap zou teleurgesteld hebben.
My next care was for some ammunition and arms. There were two very good fowling-pieces in the great cabin, and two pistols. These I secured first, with some powder-horns and a small bag of shot, and two old rusty swords. I knew there were three barrels of powder in the ship, but knew not where our gunner had stowed them; but with much search I found them, two of them dry and good, the third had taken water. Those two I got to my raft with the arms. And now I thought myself pretty well freighted, and began to think how I should get to shore with them, having neither sail, oar, nor rudder; and the least capful of wind would have overset all my navigation.
Drie dingen moedigden mij aan; eerstens was de zee volkomen kalm; ten tweede dreef het getij naar het strand en eindelijk was de weinige wind die er was, regt op de kust aan. Na dus twee of drie gebroken riemen van de boot, en behalve mijne kist met gereedschappen, nog twee zagen, eene bijl en een hamer gevonden te hebben, stak ik met mijne lading af. Eene mijl ongeveer ging alles goed; alleen bespeurde ik, dat ik een weinig zijwaarts afdreef van de plaats, waar ik eerst aan land gekomen was, zoodat ik bemerkte, dat daar eenige strooming in het water was, wat mij hoop gaf, daar eene kreek of rivier te zullen vinden, die mij als eene haven kon dienen, om mijne lading aan wal te brengen.
I had three encouragements—1st, a smooth, calm sea; 2ndly, the tide rising, and setting in to the shore; 3rdly, what little wind there was blew me towards the land. And thus, having found two or three broken oars belonging to the boat—and, besides the tools which were in the chest, I found two saws, an axe, and a hammer; with this cargo I put to sea. For a mile or thereabouts my raft went very well, only that I found it drive a little distant from the place where I had landed before; by which I perceived that there was some indraft of the water, and consequently I hoped to find some creek or river there, which I might make use of as a port to get to land with my cargo.
Het was zoo als ik gedacht had; voor mij lag een kleine inham, waar eene sterke strooming inliep; dus stuurde ik mijn vlot zoo goed ik kon, om het midden van den stroom te houden. Hier had ik bijkans ten tweeden male schipbreuk geleden, hetgeen mij het hart zou gebroken hebben. Daar ik niets van de kust wist, geraakte mijn vlot aan het eene einde op eene zandbank vast, en daar het andere einde vlot was, scheelde het weinig, of al mijne lading was naar dien kant gerold, die vlot was, en zoo in het water gevallen. Ik deed mijn uiterste best, door met mijn rug de kisten tegen te houden, alles op zijne plaats te doen blijven; maar al mijne kracht was niet voldoende om het vlot af te duwen; ook durfde ik niet van houding veranderen, maar stond bijkans een halfuur op die wijze tegen te houden. Gedurende dien tijd maakte de vloed het vlot allengs meer gelijk, en kort daarop, daar het water nog rees, was ik weder vlot, en duwde mijn vlot af met den riem, dien ik had, in het kanaal. Toen ik daar hooger op kwam, bevond ik mij eindelijk in den mond van eene kleine rivier, met land aan weerszijden, en waar het getij zeer sterk liep.
As I imagined, so it was. There appeared before me a little opening of the land, and I found a strong current of the tide set into it; so I guided my raft as well as I could, to keep in the middle of the stream. But here I had like to have suffered a second shipwreck, which, if I had, I think verily would have broken my heart; for, knowing nothing of the coast, my raft ran aground at one end of it upon a shoal, and not being aground at the other end, it wanted but a little that all my cargo had slipped off towards the end that was afloat, and to fallen into the water. I did my utmost, by setting my back against the chests, to keep them in their places, but could not thrust off the raft with all my strength; neither durst I stir from the posture I was in; but holding up the chests with all my might, I stood in that manner near half-an-hour, in which time the rising of the water brought me a little more upon a level; and a little after, the water still-rising, my raft floated again, and I thrust her off with the oar I had into the channel, and then driving up higher, I at length found myself in the mouth of a little river, with land on both sides, and a strong current of tide running up. I looked on both sides for a proper place to get to shore, for I was not willing to be driven too high up the river: hoping in time to see some ships at sea, and therefore resolved to place myself as near the coast as I could.
Eindelijk bespeurde ik een kleinen inham aan de regterzijde, en bragt met veel moeite en arbeid mijn vlot daarheen, en kwam er op het laatst zoo nabij, dat ik met mijn riem den grond bereiken kon, en toen stuurde ik erbinnen. Hier was bijkans weder al mijne lading in zee gevallen, want het strand liep hier met zulk eene steile helling, dat ik nergens kon naderen, of het eene einde van het vlot zou als het aan den wal stiet, zoo hoog en het andere einde zoo laag liggen, dat de lading op nieuw groot gevaar moest loopen. Al wat ik doen kon, was te wachten, tot dat het getij op zijn hoogst was, terwijl ik met mijn riem mij nabij den wal hield, en digt bij eene streek vlakken grond, die ik verwachtte, dat het water bedekken zou, gelijk ook het geval was. Zoodra ik water genoeg vond (want mijn vlot had bijkans een voet diepgang, ) bragt ik het boven dien vlakken grond, en zette het daar vast door mijne twee gebroken riemen in den grond te steken, aan weerszijden een, en zoo bleef ik liggen, tot het water begon af te loopen, en mij en mijne lading droog op het strand liet.
At length I spied a little cove on the right shore of the creek, to which with great pain and difficulty I guided my raft, and at last got so near that, reaching ground with my oar, I could thrust her directly in. But here I had like to have dipped all my cargo into the sea again; for that shore lying pretty steep—that is to say sloping—there was no place to land, but where one end of my float, if it ran on shore, would lie so high, and the other sink lower, as before, that it would endanger my cargo again. All that I could do was to wait till the tide was at the highest, keeping the raft with my oar like an anchor, to hold the side of it fast to the shore, near a flat piece of ground, which I expected the water would flow over; and so it did. As soon as I found water enough—for my raft drew about a foot of water—I thrust her upon that flat piece of ground, and there fastened or moored her, by sticking my two broken oars into the ground, one on one side near one end, and one on the other side near the other end; and thus I lay till the water ebbed away, and left my raft and all my cargo safe on shore.
Mijn eerste werk was thans het land te bezien, en eene geschikte plaats te zoeken, waar ik wonen kon, en mijne goederen tegen alle mogelijke ongevallen beveiligen. Waar ik was, wist ik echter niet, of op vast land of op een eiland, in een bewoond of onbewoond land, met of zonder wilde dieren. Geene mijl van mij af was een heuvel, die zeer steil en hoog opliep, en mij toescheen eene reeks van heuvelen, die noordwaarts zich uitstrekten, te overzien. Ik nam een der jagtgeweren, eene pistool en een kruidhoorn, en aldus gewapend ging ik naar den top des heuvels op ontdekking uit. Toen ik dien met veel moeite en arbeid bereikt had, zag ik dadelijk mijn lot; namelijk, dat ik op een eiland was, overal door de zee omringd, zonder land in het gezigt, behalve zeer in de verte eenige klippen, en twee eilanden, kleiner dan dit, die drie mijlen ongeveer westwaarts van mij lagen.
My next work was to view the country, and seek a proper place for my habitation, and where to stow my goods to secure them from whatever might happen. Where I was, I yet knew not; whether on the continent or on an island; whether inhabited or not inhabited; whether in danger of wild beasts or not. There was a hill not above a mile from me, which rose up very steep and high, and which seemed to overtop some other hills, which lay as in a ridge from it northward. I took out one of the fowling-pieces, and one of the pistols, and a horn of powder; and thus armed, I travelled for discovery up to the top of that hill, where, after I had with great labour and difficulty got to the top, I saw my fate, to my great affliction—viz. that I was in an island environed every way with the sea: no land to be seen except some rocks, which lay a great way off; and two small islands, less than this, which lay about three leagues to the west.
Ik zag tevens, dat het eiland, waarop ik mij bevond, woest, en gelijk ik met grond vermoedde, onbewoond was, ten ware van wilde dieren, waarvan ik echter geenerlei spoor zag. Ik zag eene menigte van vogels, wier soort ik niet kende, en waarvan ik niet wist of hun vleesch eetbaar was of niet. Toen ik terugkeerde, schoot ik een grooten vogel, dien ik op een boom aan den zoom van een groot bosch zag zitten. Ik geloof, dat het het eerste schot was, dat daar, sedert de schepping, gevallen was. Naauwelijks had ik gevuurd, of uit alle deelen van het bosch rees eene ontzettende menigte vogels van allerlei soort op, die ieder hun eigenaardig geschreeuw en gekrijsch aanhieven; doch geen was er onder, die ik kende. Dien ik gedood had, hield ik voor eene soort van havik, naar zijne vederen en bek te oordeelen, echter waren zijne klaauwen niet buitengewoon; zijn vleesch was taai en oneetbaar.
I found also that the island I was in was barren, and, as I saw good reason to believe, uninhabited except by wild beasts, of whom, however, I saw none. Yet I saw abundance of fowls, but knew not their kinds; neither when I killed them could I tell what was fit for food, and what not. At my coming back, I shot at a great bird which I saw sitting upon a tree on the side of a great wood. I believe it was the first gun that had been fired there since the creation of the world. I had no sooner fired, than from all parts of the wood there arose an innumerable number of fowls, of many sorts, making a confused screaming and crying, and every one according to his usual note, but not one of them of any kind that I knew. As for the creature I killed, I took it to be a kind of hawk, its colour and beak resembling it, but it had no talons or claws more than common. Its flesh was carrion, and fit for nothing.
Ik hield mij vooreerst met deze ontdekking tevreden, ging naar mijn vlot terug, en ging aan het werk, om mijne lading aan land te brengen, dat mij het overige van den dag bezig hield. Waar ik mijn nachtverblijf kiezen zou, wist ik niet; ik was bevreesd, om op den grond te gaan liggen, niet wetende, of een wild dier mij verscheuren zou. Naderhand vond ik echter, dat ik hiervoor geene vrees behoefde te hebben. Zoo goed ik kon maakte ik echter eene verschansing van de kisten en planken, die ik aan wal had gebragt, en vormde daarvan eene soort van hut, voor dien nacht. Ik zag nog niet in, hoe ik mij van voedsel zou voorzien, behalve, dat ik twee of drie dieren, naar hazen gelijkende, uit het bosch had zien loopen, toen ik den vogel schoot.
Contented with this discovery, I came back to my raft, and fell to work to bring my cargo on shore, which took me up the rest of that day. What to do with myself at night I knew not, nor indeed where to rest, for I was afraid to lie down on the ground, not knowing but some wild beast might devour me, though, as I afterwards found, there was really no need for those fears. However, as well as I could, I barricaded myself round with the chest and boards that I had brought on shore, and made a kind of hut for that night’s lodging. As for food, I yet saw not which way to supply myself, except that I had seen two or three creatures like hares run out of the wood where I shot the fowl.
Ik begon nu te bedenken, dat ik nog veel uit het schip zou kunnen halen, wat mij nuttig kon zijn; vooral eenig touwwerk en zeilen, en wat mij maar van dienst zou kunnen zijn. Ik besloot dus, zoo mogelijk nog eene reis naar het schip te doen, en daar ik wist, dat de eerste opkomende storm het noodwendig verbrijzelen moest, besloot ik mij nergens mede bezig te houden, voor ik al wat ik kon uit het schip had gehaald. Ik belegde toen scheepsraad, dat wil zeggen in mijne gedachten, of ik zou trachten met het vlot terug te gaan, maar dit achtte ik onuitvoerlijk; dus besloot ik, even als te voren, bij laag water te gaan, gelijk ik deed, alleen een gestreept hemd en een linnen broek aanhoudende.
I now began to consider that I might yet get a great many things out of the ship which would be useful to me, and particularly some of the rigging and sails, and such other things as might come to land; and I resolved to make another voyage on board the vessel, if possible. And as I knew that the first storm that blew must necessarily break her all in pieces, I resolved to set all other things apart till I had got everything out of the ship that I could get. Then I called a council—that is to say in my thoughts—whether I should take back the raft; but this appeared impracticable: so I resolved to go as before, when the tide was down; and I did so, only that I stripped before I went from my hut, having nothing on but my chequered shirt, a pair of linen drawers, and a pair of pumps on my feet.
Ik kwam gelijk te voren aan boord, en maakte een vlot, doch door de ondervinding van het eerste geleerd, maakte ik dit niet zoo onhandelbaar, en belaadde het zoo zwaar niet. Thans bragt ik verscheidene allernuttigste dingen voor mij mede; eerstelijk vond ik twee of drie zakken spijkers, een groote boor, een vijfentwintig bijlen, en bovenal, een zoo allernuttigst werktuig, een slijpsteen. Dit alles borg ik, met verscheidene dingen van den konstapel, twee of drie koevoeten, twee vaatjes met geweerkogels, zeven geweren en een jagtroer, met nog eenig buskruid, een grooten zak met hagel en een groote rol lood; maar deze laatste was te zwaar, en kon ik niet over boord hijschen. Behalve dit nam ik al de kleederen mede, die ik vinden kon, en een waarloos voormarszeil, eene hangmat en eenig beddegoed, en hiermede belaadde ik mijn tweede vlot, en bragt alles, tot mijn groot genoegen, behouden aan land.
I got on board the ship as before, and prepared a second raft; and, having had experience of the first, I neither made this so unwieldy, nor loaded it so hard, but yet I brought away several things very useful to me; as first, in the carpenters stores I found two or three bags full of nails and spikes, a great screw-jack, a dozen or two of hatchets, and, above all, that most useful thing called a grindstone. All these I secured, together with several things belonging to the gunner, particularly two or three iron crows, and two barrels of musket bullets, seven muskets, another fowling-piece, with some small quantity of powder more; a large bagful of small shot, and a great roll of sheet-lead; but this last was so heavy, I could not hoist it up to get it over the ship’s side. Besides these things, I took all the men’s clothes that I could find, and a spare fore-topsail, a hammock, and some bedding; and with this I loaded my second raft, and brought them all safe on shore, to my very great comfort.
Ik was gedurende mijne afwezigheid van het land eenigzins bevreesd, dat althans mijne mondbehoeften zouden weggeroofd zijn, maar toen ik terugkwam, vond ik geen spoor van eenig bezoek, behalve eene soort van wilde kat, die op eene der kisten zat, en bij mijne aankomst een eind weegs wegliep, en toen stilstond. Zij zat zeer bedaard en gerust, en zag mij stijf aan, alsof zij wel lust had, nader kennis met mij te maken. Ik legde een geweer op haar aan, maar daar zij hiervan niets begreep, bleef zij zeer bedaard zitten; daarop wierp ik haar een stuk beschuit toe, waarmede ik echter niet zeer mild was, want mijn voorraad was niet groot. Echter gaf ik haar een stukje, gelijk ik zeide, en zij ging er naar toe, berook het, en at het op, en scheen naar meer te verlangen; maar ik bedankte er voor en kon niet meer missen, dus ging zij heen.
I was under some apprehension, during my absence from the land, that at least my provisions might be devoured on shore: but when I came back I found no sign of any visitor; only there sat a creature like a wild cat upon one of the chests, which, when I came towards it, ran away a little distance, and then stood still. She sat very composed and unconcerned, and looked full in my face, as if she had a mind to be acquainted with me. I presented my gun at her, but, as she did not understand it, she was perfectly unconcerned at it, nor did she offer to stir away; upon which I tossed her a bit of biscuit, though by the way, I was not very free of it, for my store was not great: however, I spared her a bit, I say, and she went to it, smelled at it, and ate it, and looked (as if pleased) for more; but I thanked her, and could spare no more: so she marched off.
Na mijne tweede lading aan land gebragt te hebben, schoon ik verpligt was de kruidvaatjes open te slaan, en bij gedeelten te ledigen, want zij waren in hun geheel te zwaar, ging ik aan het werk, om van de zeilen, en eenige staken, die ik daarvoor gekapt had, eene kleine tent te maken, en in deze tent bragt ik alles wat ik wist, dat door regen of zon bederven kon, en al de ledige kisten en vaten stapelde ik in een kring rondom de tent, om die te versterken tegen eenigen onverhoedschen aanval van menschen of beesten. Toen ik dit gedaan had, sloot ik den ingang der tent met eenige planken van binnen, en eene overeind staande ledige kist van buiten, legde een bed op den grond, mijne twee pistolen aan het hoofdeinde, en mijn geweer aan mijne zijde. Hierop ging ik voor de eerste maal naar bed en sliep zeer gerust den geheelen nacht, daar ik zeer vermoeid en uitgeput was, want ik had den vorigen nacht zeer weinig geslapen, en den geheelen dag hard gewerkt, om al die zaken van het schip te halen, en aan land te brengen.
Having got my second cargo on shore—though I was fain to open the barrels of powder, and bring them by parcels, for they were too heavy, being large casks—I went to work to make me a little tent with the sail and some poles which I cut for that purpose: and into this tent I brought everything that I knew would spoil either with rain or sun; and I piled all the empty chests and casks up in a circle round the tent, to fortify it from any sudden attempt, either from man or beast. When I had done this, I blocked up the door of the tent with some boards within, and an empty chest set up on end without; and spreading one of the beds upon the ground, laying my two pistols just at my head, and my gun at length by me, I went to bed for the first time, and slept very quietly all night, for I was very weary and heavy; for the night before I had slept little, and had laboured very hard all day to fetch all those things from the ship, and to get them on shore.
Ik had nu het grootste magazijn van allerlei voorraad, dat ooit geloof ik, voor één mensch was neergelegd; maar ik was nog niet voldaan, want zoo lang het schip in dier voege bleef zitten, achtte ik het raadzaam er alles uit te halen wat ik kon; dus ging ik elken dag met laag water naar boord, en bragt telkens het een of ander mede. Vooral de derde maal toen ik ging, nam ik zooveel touwwerk mede als ik kon, en zooveel dun touw en garen als ik vinden kon, benevens een waarloos stuk zeildoek, dat medegenomen was, om de zeilen te herstellen, en het vat vochtig buskruid. Kortom ik bragt al de zeilen er af, hoewel ik genoodzaakt was ze in stukken te snijden, en zooveel te gelijk mede te nemen als ik kon; want ik kon ze niet als zeilen, maar alleen het doek gebruiken.
I had the biggest magazine of all kinds now that ever was laid up, I believe, for one man: but I was not satisfied still, for while the ship sat upright in that posture, I thought I ought to get everything out of her that I could; so every day at low water I went on board, and brought away something or other; but particularly the third time I went I brought away as much of the rigging as I could, as also all the small ropes and rope-twine I could get, with a piece of spare canvas, which was to mend the sails upon occasion, and the barrel of wet gunpowder. In a word, I brought away all the sails, first and last; only that I was fain to cut them in pieces, and bring as much at a time as I could, for they were no more useful to be sails, but as mere canvas only.
Niet minder aangenaam was het mij, dat ik het laatst van alles, nadat ik vijf of zes reizen gedaan had, en dacht niets meer van het schip te kunnen bekomen, wat der moeite waardig was, nog vond een groot vat met beschuit, drie vaatjes rum of sterken drank, een kistje met suiker en een vat met best meel. Dit was eene aangename verrassing voor mij, omdat ik niet verwachtte andere mondbehoeften aan te treffen, dan die door het water bedorven waren. Ik maakte spoedig de ton met beschuit ledig, en wikkelde die in stukken van de zeilen, en, om kort te gaan, ik bragt dit alles, hoewel op verschillende tijden, behouden aan land.
But that which comforted me more still, was, that last of all, after I had made five or six such voyages as these, and thought I had nothing more to expect from the ship that was worth my meddling with—I say, after all this, I found a great hogshead of bread, three large runlets of rum, or spirits, a box of sugar, and a barrel of fine flour; this was surprising to me, because I had given over expecting any more provisions, except what was spoiled by the water. I soon emptied the hogshead of the bread, and wrapped it up, parcel by parcel, in pieces of the sails, which I cut out; and, in a word, I got all this safe on shore also.
Den volgenden dag deed ik weder eene reis, en nu ik al wat draagbaar was uit het schip geplunderd had, begon ik met de kabels, die ik aan stukken kapte, die ik verwerken kon, en bragt twee kabels en een tros aan wal, met al het ijzerwerk, dat ik bekomen kon, en na de sprietzeilra en de bezaansra gekapt te hebben, en al wat ik kon, om een groot vlot te maken, belaadde ik het met al deze zware goederen en zette af. Maar mijn goed geluk begon mij te verlaten, want dit vlot was zoo onhandelbaar en zoo overladen, dat, nadat ik den kleinen inham binnengevaren was, waar ik de overige goederen aan land had gebragt, daar ik dit niet zoo goed besturen kon als de andere, het omsloeg, en ik met al de lading in het water viel. Voor mij was dit van weinig belang, want ik was digt bij land; maar van mijne lading ging het grootste gedeelte verloren, vooral het ijzer, dat ik gehoopt had mij van veel nut te zullen zijn. Toen het echter laag water was, bragt ik nog verscheidene stukken touw aan wal, en eenig ijzerwerk, schoon met ontzettend veel moeite, want ik moest er naar duiken, hetgeen voor mij een allerafmattendst werk was. Ik ging daarop ieder dag naar boord, en bragt mede wat ik kon.
The next day I made another voyage, and now, having plundered the ship of what was portable and fit to hand out, I began with the cables. Cutting the great cable into pieces, such as I could move, I got two cables and a hawser on shore, with all the ironwork I could get; and having cut down the spritsail-yard, and the mizzen-yard, and everything I could, to make a large raft, I loaded it with all these heavy goods, and came away. But my good luck began now to leave me; for this raft was so unwieldy, and so overladen, that, after I had entered the little cove where I had landed the rest of my goods, not being able to guide it so handily as I did the other, it overset, and threw me and all my cargo into the water. As for myself, it was no great harm, for I was near the shore; but as to my cargo, it was a great part of it lost, especially the iron, which I expected would have been of great use to me; however, when the tide was out, I got most of the pieces of the cable ashore, and some of the iron, though with infinite labour; for I was fain to dip for it into the water, a work which fatigued me very much. After this, I went every day on board, and brought away what I could get.
Ik was nu dertien dagen aan wal geweest, en elf malen naar boord van het schip gegaan, in welken tijd ik alles aan wal gebragt had, wat een mensch met twee handen redelijkerwijs kon doen; hoewel ik waarlijk geloof, dat, als het stil weder gebleven was, ik het geheele schip, stuk voor stuk, zou gesloopt hebben. Toen ik de twaalfde maal aan boord wilde gaan, bemerkte ik, dat de wind begon op te steken; ik ging echter met laag water aan boord, en schoon ik gedacht had, dat ik de kajuit zoo goed doorgesnuffeld had, dat ik er niets meer in vinden kon, ontdekte ik toch een kistje met laden. In eene daarvan vond ik twee of drie scheermessen en eene groote schaar, met een dozijn goede lepels en vorken; in eene andere vond ik de waarde van ongeveer 36 [ £ ] in geld; eenige Europesche en eenige Brazilische munten, eenige stukken van achten, eenig goud, eenig zilver.
I had been now thirteen days on shore, and had been eleven times on board the ship, in which time I had brought away all that one pair of hands could well be supposed capable to bring; though I believe verily, had the calm weather held, I should have brought away the whole ship, piece by piece. But preparing the twelfth time to go on board, I found the wind began to rise: however, at low water I went on board, and though I thought I had rummaged the cabin so effectually that nothing more could be found, yet I discovered a locker with drawers in it, in one of which I found two or three razors, and one pair of large scissors, with some ten or a dozen of good knives and forks: in another I found about thirty-six pounds value in money—some European coin, some Brazil, some pieces of eight, some gold, and some silver.
Ik glimlachte toen ik dat geld zag: " O slijk, " zeide ik, " waar zijt gij goed voor ? Gij zijt mij niet waardig, dat ik u van den grond opneem. Een van deze messen is meer waard dan die geheele hoop. Ik kan u niet gebruiken, blijf waar gij zijt, en verzink naar den bodem, als iets, dat niet waardig is gered te worden. " Bij nadere overweging nam ik het echter mede, en wikkelde alles in een stuk zeildoek, en begon te denken om nog een vlot te maken. Toen ik echter hiermede bezig was, betrok de lucht en de wind begon op te steken, en in een kwartier blies het eene stijve koelte van het land. Thans begreep ik, dat het vruchteloos was een vlot te maken, met den wind van het land af, en dat het zaak was te vertrekken, voordat de vloed doorkwam; anders had ik het strand in het geheel niet kunnen bereiken; dus liet ik mij in het water afzakken en zwom het kanaal over, dat tusschen het schip en het strand lag, en dit ging moeijelijk genoeg, gedeeltelijk om de zwaarte van hetgeen ik bij mij had, en gedeeltelijk om de deining in het water, want de wind wakkerde gestadig aan, en voordat het hoog water was, woei er een felle storm.
I smiled to myself at the sight of this money: “O drug!” said I, aloud, “what art thou good for? Thou art not worth to me—no, not the taking off the ground; one of those knives is worth all this heap; I have no manner of use for thee—e’en remain where thou art, and go to the bottom as a creature whose life is not worth saying.” However, upon second thoughts I took it away; and wrapping all this in a piece of canvas, I began to think of making another raft; but while I was preparing this, I found the sky overcast, and the wind began to rise, and in a quarter of an hour it blew a fresh gale from the shore. It presently occurred to me that it was in vain to pretend to make a raft with the wind offshore; and that it was my business to be gone before the tide of flood began, otherwise I might not be able to reach the shore at all. Accordingly, I let myself down into the water, and swam across the channel, which lay between the ship and the sands, and even that with difficulty enough, partly with the weight of the things I had about me, and partly the roughness of the water; for the wind rose very hastily, and before it was quite high water it blew a storm.
Maar ik had mijne kleine tent bereikt, waar ik met al mijn goed zeer veilig lag. Het stormde den geheelen nacht door, en toen ik den volgenden morgen uitzag, was er geen schip meer te zien ! Ik stond eenigzins verrast, maar troostte mij met de gedachte, dat ik geen tijd noch vlijt verloren had, om alles er uit te halen wat mij van nut kon zijn; en dat er inderdaad weinig in overgebleven was, wat ik nog aan wal had kunnen brengen, als ik er den tijd toe gehad had. Ik liet nu alle gedachten varen aan het schip en wat er in was, behalve aan hetgeen nog van het wrak op de kust mogt aanspoelen, gelijk inderdaad met verscheidene stukken het geval was, die echter voor mij van weinig nut waren.
But I had got home to my little tent, where I lay, with all my wealth about me, very secure. It blew very hard all night, and in the morning, when I looked out, behold, no more ship was to be seen! I was a little surprised, but recovered myself with the satisfactory reflection that I had lost no time, nor abated any diligence, to get everything out of her that could be useful to me; and that, indeed, there was little left in her that I was able to bring away, if I had had more time. I now gave over any more thoughts of the ship, or of anything out of her, except what might drive on shore from her wreck; as, indeed, divers pieces of her afterwards did; but those things were of small use to me.
Thans waren mijne gedachten geheel gevestigd op mij tegen de wilden, als die zich mogten vertoonen, of tegen wilde dieren, als die op het eiland mogten zijn, te beschermen, en ik overwoog lang, hoe ik dit doen, en welke soort van woning ik maken zou; of ik een hol in den grond of eene tent op denzelven zou opslaan. Eindelijk besloot ik tot beide, en het zal niet ongepast zijn hier eene beschrijving van dezelve te geven.
My thoughts were now wholly employed about securing myself against either savages, if any should appear, or wild beasts, if any were in the island; and I had many thoughts of the method how to do this, and what kind of dwelling to make—whether I should make me a cave in the earth, or a tent upon the earth; and, in short, I resolved upon both; the manner and description of which, it may not be improper to give an account of.
Spoedig bemerkte ik, dat de plaats waar ik was, niet tot mijne vestiging geschikt was, vooral omdat het een lage, moerassige grond, digt bij de zee was, die ik geloofde dat niet gezond zou zijn, en vooral, omdat er geen zoet water in de nabijheid was; dus besloot ik eene gezonder en meer geschikte plek op te zoeken. Ik nam verscheidene zaken in aanmerking: eerstelijk, gezondheid en zoet water, gelijk ik zeide; vervolgens beschutting voor de zon, benevens veiligheid voor vijanden, hetzij menschen of dieren, en eindelijk het gezigt op de zee; opdat, als het God behaagde, eenig schip in het gezigt te zenden, ik geene gelegenheid mogt verzuimen tot mijne bevrijding, waarop ik nog niet alle hoop opgegeven had.
I soon found the place I was in was not fit for my settlement, because it was upon a low, moorish ground, near the sea, and I believed it would not be wholesome, and more particularly because there was no fresh water near it; so I resolved to find a more healthy and more convenient spot of ground. I consulted several things in my situation, which I found would he proper for me: 1st, health and fresh water, I just now mentioned; 2ndly, shelter from the heat of the sun; 3rdly, security from ravenous creatures, whether man or beast; 4thly, a view to the sea, that if God sent any ship in sight, I might not lose any advantage for my deliverance, of which I was not willing to banish all my expectation yet.
Terwijl ik eene geschikte plaats hiertoe zocht, vond ik eene kleine vlakte aan de zijde van een heuvel, die aldaar regtstandig als een muur omhoog rees, zoodat ik van de hoogte niet kon overvallen worden. Aan den kant van deze rots was eene holte, die naar den ingang van eene spelonk geleek, schoon er geenerlei opening of spelonk in de rots was.
In search of a place proper for this, I found a little plain on the side of a rising hill, whose front towards this little plain was steep as a house-side, so that nothing could come down upon me from the top. On the one side of the rock there was a hollow place, worn a little way in, like the entrance or door of a cave but there was not really any cave or way into the rock at all.
Op de grazige vlakte, regt voor deze uitholling, besloot ik mijne tent op te slaan. De vlakte was niet meer dan honderd ellen lang en tweemaal zoo breed, en lag als eene weide voor mijne deur, en liep aan het einde onregelmatig af naar het lager land aan het strand. Zij lag op de N.N.W. zijde van den heuvel, hetgeen mij voor de zonnehitte den geheelen dag beschermde, tot de zon in het W.t.Z. stond, hetgeen in deze hemelstreken bij het ondergaan plaats heeft.
On the flat of the green, just before this hollow place, I resolved to pitch my tent. This plain was not above a hundred yards broad, and about twice as long, and lay like a green before my door; and, at the end of it, descended irregularly every way down into the low ground by the seaside. It was on the N.N.W. side of the hill; so that it was sheltered from the heat every day, till it came to a W. and by S. sun, or thereabouts, which, in those countries, is near the setting.
Alvorens ik mijne tent opsloeg, trok ik voor de uitholling een halven cirkel, die van de rots tot aan het einde, tien ellen wijd, en van het eene einde tot het andere twintig ellen in doorsnede had. In dezen halven cirkel sloeg ik twee rijen zware staken, en sloeg die in den grond tot zij zoo vast stonden als pilaren, terwijl het zwaarste einde, dat ik van boven puntig maakte, ongeveer vijf en een half voet uit den grond zat; de twee rijen stonden geen zes duim van elkander. Vervolgens nam ik de stukken kabeltouw, die ik op het schip gekapt had, en legde die op elkander in den kring tusschen deze twee rijen van staken, tot boven aan toe, terwijl ik andere staken van binnen plaatste, ongeveer twee en een half voet hoog, om de voorsten te versterken, en deze palissaden waren zoo sterk, dat mensch noch beest er over noch door kon. Dit kostte mij veel tijd en arbeid, vooral het kappen van de staken in het bosch, hen huiswaarts te slepen en in den grond te slaan.
Before I set up my tent I drew a half-circle before the hollow place, which took in about ten yards in its semi-diameter from the rock, and twenty yards in its diameter from its beginning and ending. In this half-circle I pitched two rows of strong stakes, driving them into the ground till they stood very firm like piles, the biggest end being out of the ground above five feet and a half, and sharpened on the top. The two rows did not stand above six inches from one another. Then I took the pieces of cable which I had cut in the ship, and laid them in rows, one upon another, within the circle, between these two rows of stakes, up to the top, placing other stakes in the inside, leaning against them, about two feet and a half high, like a spur to a post; and this fence was so strong, that neither man nor beast could get into it or over it. This cost me a great deal of time and labour, especially to cut the piles in the woods, bring them to the place, and drive them into the earth.
De ingang tot deze plaats was geene deur, maar eene korte ladder, waarmede ik over de omheining klom en die ik, als ik er in was, naar binnen haalde. Aldus was ik, naar ik dacht, volkomen ingesloten en verschanst voor iedereen, en sliep dus des nachts gerust, hetgeen ik anders niet had kunnen doen; schoon, gelijk naderhand bleek, al deze voorzorgen voor de vijanden die ik vreesde, noodeloos waren.
The entrance into this place I made to be, not by a door, but by a short ladder to go over the top; which ladder, when I was in, I lifted over after me; and so I was completely fenced in and fortified, as I thought, from all the world, and consequently slept secure in the night, which otherwise I could not have done; though, as it appeared afterwards, there was no need of all this caution from the enemies that I apprehended danger from.
In deze omheining of verschansing, bragt ik met eindeloos veel moeite al mijn rijkdom, al mijne mondbehoeften, mijn kruid en lood en al mijne goederen, die ik vroeger opgenoemd heb. Ik maakte ook eene groote tent, en om mij voor de regens, die hier een gedeelte van het jaar zeer hevig zijn, te beveiligen, maakte ik eene dubbele, namelijk eene kleinere tent van binnen en eene grootere er over heen, en de bovenste bedekte ik met eene presenning, die ik onder de zeilen gered had.
Into this fence or fortress, with infinite labour, I carried all my riches, all my provisions, ammunition, and stores, of which you have the account above; and I made a large tent, which to preserve me from the rains that in one part of the year are very violent there, I made double—one smaller tent within, and one larger tent above it; and covered the uppermost with a large tarpaulin, which I had saved among the sails.
En nu lag ik niet meer in het bed, dat ik aan wal had gebragt, maar in eene hangmat, die zeer goed was, en aan den stuurman behoord had. In deze tent bragt ik al mijne mondbehoeften, en al wat door den regen bederven kon, en maakte vervolgens den ingang toe, dien ik tot hiertoe opengelaten had, en ging na dien tijd altijd met eene korte ladder, gelijk ik zeide, in en uit.
And now I lay no more for a while in the bed which I had brought on shore, but in a hammock, which was indeed a very good one, and belonged to the mate of the ship. Into this tent I brought all my provisions, and everything that would spoil by the wet; and having thus enclosed all my goods, I made up the entrance, which till now I had left open, and so passed and repassed, as I said, by a short ladder.
Toen dit gedaan was, ging ik aan het uitdelven van de rots, en bragt al de aarde en steenen, die ik uitgroef, door mijne tent, en legde die tusschen deze en de palissaden. Ik verhoogde den grond aldus anderhalf voet, en maakte hierdoor een kelder vlak achter mijne tent. Dit kostte mij veel tijd en arbeid, voor dat alles gereed was, en ik moet dus terugkeeren tot eenige andere zaken, die mijne gedachten bezig hielden.
When I had done this, I began to work my way into the rock, and bringing all the earth and stones that I dug down out through my tent, I laid them up within my fence, in the nature of a terrace, so that it raised the ground within about a foot and a half; and thus I made me a cave, just behind my tent, which served me like a cellar to my house.
Toen ik het ontwerp gevormd had, een tent op te slaan en den kelder te maken, viel er een allerhevigste stortregen uit eene dikke, zwarte wolk, en een bliksemstraal werd door een allerontzettendsten donderslag gevolgd, gelijk natuurlijk is. Ik was niet zoo zeer ontsteld van den bliksem, als van het denkbeeld, dat even snel als de bliksem mij voor den geest kwam: " mijn buskruid ! " Mijn hart kromp ineen, als ik bedacht, dat een bliksemstraal al mijn kruid kon vernielen, waarvan naar ik dacht, niet alleen mijne veiligheid, maar ook mijn onderhoud geheel afhing. Ik was volstrekt niet bekommerd over mijn eigen gevaar, schoon, als het kruid vlam gevat had, ik zeer ligt doodelijk getroffen had kunnen worden.
It cost me much labour and many days before all these things were brought to perfection; and therefore I must go back to some other things which took up some of my thoughts. At the same time it happened, after I had laid my scheme for the setting up my tent, and making the cave, that a storm of rain falling from a thick, dark cloud, a sudden flash of lightning happened, and after that a great clap of thunder, as is naturally the effect of it. I was not so much surprised with the lightning as I was with the thought which darted into my mind as swift as the lightning itself—Oh, my powder! My very heart sank within me when I thought that, at one blast, all my powder might be destroyed; on which, not my defence only, but the providing my food, as I thought, entirely depended. I was nothing near so anxious about my own danger, though, had the powder took fire, I should never have known who had hurt me.
Dit maakte zulk een indruk op mij, dat, nadat de storm over was, ik al mijn werk, mijn bouwen en verschansen liggen liet, en aan het maken van dozen en kisten ging, om mijn kruid bij kleine gedeelten te bergen, in de hoop, dat, wat er ook gebeuren mogt, het niet alles te gelijk vlam zou vatten, en ik het zoo afgescheiden kon houden, dat het eene het andere niet kon aansteken. Ik bragt hiermede veertien dagen door; en mijn kruid, dat ongeveer 140 [ lb = gewicht ] zal bedragen hebben, had ik toen in wel honderd partijen verdeeld. Van het vaatje, dat nat geweest was, vreesde ik geenerlei gevaar, dus plaatste ik het in mijn nieuwen kelder, dien ik goedvond mijn keuken te noemen, en het overige verborg ik hier en daar in holten tusschen de klippen, in dier voege, dat er geen nat bij komen kon, terwijl ik zorgvuldig de plaatsen merkte, waar ik het legde.
Such impression did this make upon me, that after the storm was over I laid aside all my works, my building and fortifying, and applied myself to make bags and boxes, to separate the powder, and to keep it a little and a little in a parcel, in the hope that, whatever might come, it might not all take fire at once; and to keep it so apart that it should not be possible to make one part fire another. I finished this work in about a fortnight; and I think my powder, which in all was about two hundred and forty pounds weight, was divided in not less than a hundred parcels. As to the barrel that had been wet, I did not apprehend any danger from that; so I placed it in my new cave, which, in my fancy, I called my kitchen; and the rest I hid up and down in holes among the rocks, so that no wet might come to it, marking very carefully where I laid it.
Middelerwijl ik hieraan bezig was, ging ik dagelijks ten minste eens met mijn geweer uit, zoowel tot mijne uitspanning, als om te zien of ik iets schieten kon, dat eetbaar was, en, zooveel ik kon, mij bekend te maken met wat het eiland opleverde. De eerste maal dat ik thans uitging, ontdekte ik, dat er geiten op het eiland waren, hetgeen mij veel genoegen deed; er was echter een ongeluk bij, dat zij namelijk zoo schuw, zoo scherp van gezigt en reuk, en zoo snel ter been waren, dat het allermoeijelijkst was, haar te bereiken. Ik werd hierdoor echter geenszins ontmoedigd, niet twijfelende of ik zou er weldra een onder schot krijgen, gelijk ook spoedig het geval was. Want, nadat ik eenigzins hare gewone verblijfplaatsen op het spoor was gekomen, ging ik op haar loeren. Ik had bemerkt, dat, als zij mij in het dal zagen, al waren zij op de klippen, zij dan altijd verschrikt wegliepen, en dat, als ik op de klippen was, zij geen acht op mij sloegen. Ik besloot hieruit, dat haar oog zoodanig gevormd was, dat zij met gemakkelijk voorwerpen zagen, die boven haar verheven waren. Ik begon derhalve altijd eerst op de rotsen te klimmen, om boven haar gezigt te zijn, en had dan gewoonlijk een goed schot op haar.
In the interval of time while this was doing, I went out once at least every day with my gun, as well to divert myself as to see if I could kill anything fit for food; and, as near as I could, to acquaint myself with what the island produced. The first time I went out, I presently discovered that there were goats in the island, which was a great satisfaction to me; but then it was attended with this misfortune to me—viz. that they were so shy, so subtle, and so swift of foot, that it was the most difficult thing in the world to come at them; but I was not discouraged at this, not doubting but I might now and then shoot one, as it soon happened; for after I had found their haunts a little, I laid wait in this manner for them: I observed if they saw me in the valleys, though they were upon the rocks, they would run away, as in a terrible fright; but if they were feeding in the valleys, and I was upon the rocks, they took no notice of me; from whence I concluded that, by the position of their optics, their sight was so directed downward that they did not readily see objects that were above them; so afterwards I took this method—I always climbed the rocks first, to get above them, and then had frequently a fair mark.
De eerste maal, dat ik op haar schoot, doodde ik eene geit, die een zuigend jong bij zich had, hetgeen mij van harte speet. Toen de moeder viel, bleef het jong stokstijf bij haar staan, tot ik kwam en haar opnam. Toen ik de oude geit op mijne schouders laadde en haar wegdroeg, volgde het jong mij tot aan mijne heining. Ik legde daar de oude neder, nam het jong in mijne armen en droeg het over de palissaden, in de hoop van het tam te maken; maar het wilde niet eten, dus was ik gedwongen het te dooden en het zelf te eten. Deze twee geiten voorzagen mij voor langen tijd van vleesch; want ik at matig, en spaarde mijne eetwaren (vooral mijn brood ), zooveel ik bij mogelijkheid kon.
The first shot I made among these creatures, I killed a she-goat, which had a little kid by her, which she gave suck to, which grieved me heartily; for when the old one fell, the kid stood stock still by her, till I came and took her up; and not only so, but when I carried the old one with me, upon my shoulders, the kid followed me quite to my enclosure; upon which I laid down the dam, and took the kid in my arms, and carried it over my pale, in hopes to have bred it up tame; but it would not eat; so I was forced to kill it and eat it myself. These two supplied me with flesh a great while, for I ate sparingly, and saved my provisions, my bread especially, as much as possibly I could.
Na thans mijne woning bepaald te hebben, achtte ik het volstrekt noodzakelijk eene plaats te hebben waar, en brandhout waarmede ik stoken kon. Ik zal op zijne plaats verhalen, hoe ik dit alles deed, en hoe ik mijn kelder vergrootte, maar ik moet eenig verslag van mijzelven en van mijne denkbeelden over mijne verdere levenswijze, die inderdaad niet weinig waren, geven.
Having now fixed my habitation, I found it absolutely necessary to provide a place to make a fire in, and fuel to burn: and what I did for that, and also how I enlarged my cave, and what conveniences I made, I shall give a full account of in its place; but I must now give some little account of myself, and of my thoughts about living, which, it may well be supposed, were not a few.
Mijn toestand leverde een treurig vooruitzigt op. De storm, die mij op dit eiland geworpen had, had mij tevens geheel buiten den koers van onze voorgenomen reis geslagen, en wel honderd mijlen buiten het gewone vaarwater der koopvaarders. Ik had dus groote reden, het als een besluit des Hemels te beschouwen, dat ik in deze eenzame plaats en op deze verlatene wijze mijn leven zou eindigen. Mijne tranen stroomden bij deze gedachten, en somwijlen vroeg ik mij zelven af, waarom de Voorzienigheid sommige harer schepselen zoo diep rampzalig maakte, zoo hulpeloos en verlaten, dat het leven naauwelijks een reden tot dankbaarheid was.
I had a dismal prospect of my condition; for as I was not cast away upon that island without being driven, as is said, by a violent storm, quite out of the course of our intended voyage, and a great way, viz. some hundreds of leagues, out of the ordinary course of the trade of mankind, I had great reason to consider it as a determination of Heaven, that in this desolate place, and in this desolate manner, I should end my life. The tears would run plentifully down my face when I made these reflections; and sometimes I would expostulate with myself why Providence should thus completely ruin His creatures, and render them so absolutely miserable; so without help, abandoned, so entirely depressed, that it could hardly be rational to be thankful for such a life.
Maar altijd kwam er iets in mij op, dat deze gedachten stuitte, en mij er over berispte. Op zekeren dag in het bijzonder, toen ik met mijn geweer in de hand langs het strand wandelde, peinsde ik ernstig over mijn tegenwoordigen toestand, toen mijne rede als het ware toetrad, en mij de zaak van eene andere zijde deed beschouwen. Het is waar, zeide zij, gij zijt in een rampzaligen toestand, maar ei lieve, waar zijn uwe kameraden ? Waart gij niet elf personen in de boot ? waar zijn de tien overigen ? Waarom zijn zij niet gered, en zijt gij niet vergaan ? Waarom zijt gij uitgezonderd ? Is het beter hier of daar te zijn ? Hierbij wees ik op de zee. Het kwaad moet men beschouwen met het goede, dat er mede gepaard gaat, en het kwade, waarvan het bevrijd is gebleven.
But something always returned swift upon me to check these thoughts, and to reprove me; and particularly one day, walking with my gun in my hand by the seaside, I was very pensive upon the subject of my present condition, when reason, as it were, expostulated with me the other way, thus: “Well, you are in a desolate condition, it is true; but, pray remember, where are the rest of you? Did not you come, eleven of you in the boat? Where are the ten? Why were they not saved, and you lost? Why were you singled out? Is it better to be here or there?” And then I pointed to the sea. All evils are to be considered with the good that is in them, and with what worse attends them.
Vervolgens bedacht ik, hoe goed voor mijn onderhoud gezorgd was, en wat mijn lot zou geweest zijn, als niet (hetgeen honderdduizend tegen een was ) het schip van de plaats, waar het eerst gestooten had, vlot geraakt, en zoo digt bij den wal gedreven was, dat ik in staat was geweest, er al die goederen uit te halen. Hoe zou mijn toestand geweest zijn, als ik had moeten leven in den staat, waarin ik het eerst aan wal kwam, zonder levensmiddelen en zonder eenig middel, mij die te verschaffen. Wat vooral zoudt gij gedaan hebben, zeide ik luid tot mijzelven, zonder geweer, zonder kruid of lood, zonder eenig gereedschap om iets te maken of mede te werken, zonder kleederen, beddegoed of eenig deksel ? Nu ik dit alles in genoegzame hoeveelheid had, en fraai op weg was, mij zoodanig in te rigten, dat ik zonder mijn geweer zou kunnen leven als mijn kruid op was, zoo dat ik een gegrond vooruitzigt op voedsel had, zoo lang als ik leefde, want van den beginne af had ik er mijne gedachten over laten gaan, hoe in verschillende omstandigheden te handelen, in het toekomende, niet alleen als mijn kruid en lood op zou zijn, maar zelfs als mijne gezondheid en krachten zouden afnemen.
Then it occurred to me again, how well I was furnished for my subsistence, and what would have been my case if it had not happened (which was a hundred thousand to one) that the ship floated from the place where she first struck, and was driven so near to the shore that I had time to get all these things out of her; what would have been my case, if I had been forced to have lived in the condition in which I at first came on shore, without necessaries of life, or necessaries to supply and procure them? “Particularly,” said I, aloud (though to myself), “what should I have done without a gun, without ammunition, without any tools to make anything, or to work with, without clothes, bedding, a tent, or any manner of covering?” and that now I had all these to sufficient quantity, and was in a fair way to provide myself in such a manner as to live without my gun, when my ammunition was spent: so that I had a tolerable view of subsisting, without any want, as long as I lived; for I considered from the beginning how I would provide for the accidents that might happen, and for the time that was to come, even not only after my ammunition should be spent, but even after my health and strength should decay.
Ik moet echter bekennen, dat ik toen echter volstrekt er niet aan dacht, dat ik mijn kruid in eens, door den bliksem meen ik, kon verliezen, en hierdoor was ik zoo ontsteld, toen dit denkbeeld voor de eerste maal bij het onweder, bij mij op kwam.
I confess I had not entertained any notion of my ammunition being destroyed at one blast—I mean my powder being blown up by lightning; and this made the thoughts of it so surprising to me, when it lightened and thundered, as I observed just now.
En, daar ik nu het droevig verslag van een eenzaam leven moet beginnen, gelijk men welligt nimmer in de wereld meer gehoord heeft, zal ik dit van den beginne af en met orde verhalen. Het was, naar mijne rekening, de 30ste September, toen ik op de vermelde wijze het eerst den voet op het woest eiland zette, toen de zon, bij ons in de herfstevening, bijkans regt boven mijn hoofd stond, want ik rekende, dat ik mij op 9°, 22 ' ten noorden van de linie bevond.
And now being about to enter into a melancholy relation of a scene of silent life, such, perhaps, as was never heard of in the world before, I shall take it from its beginning, and continue it in its order. It was by my account the 30th of September, when, in the manner as above said, I first set foot upon this horrid island; when the sun, being to us in its autumnal equinox, was almost over my head; for I reckoned myself, by observation, to be in the latitude of nine degrees twenty-two minutes north of the line.
Na een verblijf van tien of twaalf dagen, kwam het mij in de gedachten, dat ik, bij gebrek van boeken en schrijfgereedschap, met de tijdtelling verward raken zou, en zelfs den zondag niet van de werkdagen onderscheiden kunnen. Om dit te voorkomen sneed ik met mijn mes op een grooten staak, met kapitale letters, het volgende opschrift: IK KWAM HIER AAN WAL DEN 30 SEPTEMBER 1659. en plaatste dit op een staak, in den vorm van een kruis, aan het strand, waar ik het eerst aan land gekomen was. Op de zijden van dezen stijl sneed ik elken dag een kerf met mijn mes, en elke zevende kerf eens zoo lang als de overigen, en elken eersten dag van de maand weder eens zoo lang, en aldus hield ik mijn almanak, en berekende de weken, maanden en jaren.
After I had been there about ten or twelve days, it came into my thoughts that I should lose my reckoning of time for want of books, and pen and ink, and should even forget the Sabbath days; but to prevent this, I cut with my knife upon a large post, in capital letters—and making it into a great cross, I set it up on the shore where I first landed—“I came on shore here on the 30th September 1659.” Upon the sides of this square post I cut every day a notch with my knife, and every seventh notch was as long again as the rest, and every first day of the month as long again as that long one; and thus I kept my calendar, or weekly, monthly, and yearly reckoning of time.
Ik moet nog zeggen, dat onder de vele goederen, die ik op verschillende reizen, van het schip afbragt, zich verscheidene zaken van minder waarde bevonden, die mij echter niet minder van nut waren, en welke ik vroeger vergeten had te vermelden, zoo als vooreerst pennen, inkt en papier, verscheidene zaken van den kapitein, stuurman, konstapel en timmerman afkomstig, als drie of vier kompassen, eenige zeevaartkundige instrumenten, zonnewijzers, verrekijkers, kaarten en boeken over de stuurmanskunst, hetwelk ik alles ondereen wierp, of ik het soms noodig mogt hebben. Ook vond ik drie goede Bijbels, die bij de lading, mij uit Engeland gezonden, geweest waren, en die ik onder mijne bagaadje gepakt had, ook eenige Portugesche boeken, en daar onder twee of drie Roomsche gebedenboeken en andere werken, die ik allen zorgvuldig borg. En ik moet niet vergeten, dat wij aan boord een hond en twee katten hadden, wier zonderlinge geschiedenis ik in het vervolg vermelden zal. Ik nam de beide katten mede, en de hond sprong uit zichzelve over boord en zwom naar den wal, den dag, nadat ik voor het eerst eene lading aan land gebragt had, en was mij vele jaren een trouw dienaar; mij ontbrak niets wat hij mij kon verschaffen; hij was voor mij een uitmuntend gezelschap geweest, zoo hij slechts had kunnen spreken, maar dat ging niet.
In the next place, we are to observe that among the many things which I brought out of the ship, in the several voyages which, as above mentioned, I made to it, I got several things of less value, but not at all less useful to me, which I omitted setting down before; as, in particular, pens, ink, and paper, several parcels in the captain’s, mate’s, gunner’s and carpenter’s keeping; three or four compasses, some mathematical instruments, dials, perspectives, charts, and books of navigation, all which I huddled together, whether I might want them or no; also, I found three very good Bibles, which came to me in my cargo from England, and which I had packed up among my things; some Portuguese books also; and among them two or three Popish prayer-books, and several other books, all which I carefully secured. And I must not forget that we had in the ship a dog and two cats, of whose eminent history I may have occasion to say something in its place; for I carried both the cats with me; and as for the dog, he jumped out of the ship of himself, and swam on shore to me the day after I went on shore with my first cargo, and was a trusty servant to me many years; I wanted nothing that he could fetch me, nor any company that he could make up to me; I only wanted to have him talk to me, but that would not do.
Gelijk ik zeide, ik vond pennen, inkt en papier, en was daar zoo zuinig op, als mogelijk; en het zal den lezer blijken, dat ik, zoo lang mijne inkt duurde, alles zeer naauwkeurig opteekende, maar toen deze op was, was dit onmogelijk, want ik kon geene inkt maken, wat ik ook verzon. Dit herinnert mij, dat mij nog vele dingen ontbraken, niettegenstaande al wat ik bijeengeraapt had; hieronder behoorde de inkt, eene spade, houweel en schop, om den grond te bewerken; naalden, spelden en garen. Wat linnen betrof, dit leerde ik spoedig zonder moeite ontberen.
As I observed before, I found pens, ink, and paper, and I husbanded them to the utmost; and I shall show that while my ink lasted, I kept things very exact, but after that was gone I could not, for I could not make any ink by any means that I could devise. And this put me in mind that I wanted many things notwithstanding all that I had amassed together; and of these, ink was one; as also a spade, pickaxe, and shovel, to dig or remove the earth; needles, pins, and thread; as for linen, I soon learned to want that without much difficulty.
Dit gebrek aan gereedschap maakte, dat al mijn werk langzaam van de hand ging, en het duurde bijkans een jaar, alvorens ik mijne kleine schans, of met palissaden bezette woning, voltooid had; het kappen der palen en staken, die zoo zwaar waren als ik ze slechts vervoeren kon, vereischte veel tijd, en nog meer het bewerken en naar huis slepen. Ik bragt somtijds twee dagen door met een dezer palen te kappen en naar huis te brengen, en een derden met dien in den grond te slaan, waartoe ik eerst een zwaar stuk hout gebruikte, maar eindelijk bedacht mijn koevoet te gebruiken; doch ook hiermede bleef het inslaan van deze palen een zeer moeijelijk en vervelend werk. Maar wat behoefde ik mij te bekommeren of iets wat ik te doen had, vervelend was, aangezien ik tijd genoeg had, om het te verrigten ? Als dit afgeloopen was, had ik toch geene andere bezigheid, ten minste niet die ik voorzien kon, behalve het rondgaan van het eiland, om voedsel te zoeken, wat ik elken dag meer of minder deed.
This want of tools made every work I did go on heavily; and it was near a whole year before I had entirely finished my little pale, or surrounded my habitation. The piles, or stakes, which were as heavy as I could well lift, were a long time in cutting and preparing in the woods, and more, by far, in bringing home; so that I spent sometimes two days in cutting and bringing home one of those posts, and a third day in driving it into the ground; for which purpose I got a heavy piece of wood at first, but at last bethought myself of one of the iron crows; which, however, though I found it, made driving those posts or piles very laborious and tedious work. But what need I have been concerned at the tediousness of anything I had to do, seeing I had time enough to do it in? nor had I any other employment, if that had been over, at least that I could foresee, except the ranging the island to seek for food, which I did, more or less, every day.
Ik begon nu ernstig over mijn toestand, en de omstandigheden waarin ik mij bevond, na te denken, en ik maakte schriftelijk een staat van mijne zaken, niet zoo zeer voor iemand, die na mij hier komen zou, want waarschijnlijk zou ik weinig erfgenamen hebben, maar wel om mijne gedachten, die daar dagelijks op gevestigd waren en mijn geest neêrdrukten, lucht te geven, en dewijl de rede thans bij mij de overhand begon te krijgen, begon ik mij te troosten zoo goed ik kon en plaatste het goede tegenover het kwade, om mijn toestand van een nog ergeren te onderscheiden. Ik stelde dan zeer onpartijdig, als debiteur en crediteur, het goede, dat ik genoot, tegenover de rampen, die ik leed; op deze wijze:
I now began to consider seriously my condition, and the circumstances I was reduced to; and I drew up the state of my affairs in writing, not so much to leave them to any that were to come after me—for I was likely to have but few heirs—as to deliver my thoughts from daily poring over them, and afflicting my mind; and as my reason began now to master my despondency, I began to comfort myself as well as I could, and to set the good against the evil, that I might have something to distinguish my case from worse; and I stated very impartially, like debtor and creditor, the comforts I enjoyed against the miseries I suffered, thus:—
het kwaad. het goed. Ik ben op een akelig onbewoond eiland geworpen, buiten alle hoop op verlossing. Maar ik ben in leven en niet verdronken, zoo als al mijne scheepsmakkers. Ik ben uitgekipt en als het ware afgezonderd van de geheele wereld, om ongelukkig te zijn. Maar ik ben ook uitgekipt uit al het scheepsvolk, om van den dood gespaard te worden, en Hij, die mij wonderbaarlijk van den dood bevrijdde, kan mij ook uit dezen toestand redden. Ik ben van het menschdom afgesneden als een kluizenaar, als een balling uit de maatschappij. Maar ik ben niet verhongerd, en verga niet op eene onvruchtbare plaats, die geen voedsel oplevert. Ik heb geene kleederen, om mij te bedekken. Maar ik ben in een warm klimaat, waar ik naauwelijks kleederen zou kunnen verdragen; als ik ze had. Ik ben genoegzaam weerloos, zonder de middelen, om mij tegen menschen of beesten te verdedigen. Maar ik ben op een eiland geworpen, waar ik geene wilde dieren zie, gelijk op de Afrikaansche kust. Wat zou het zijn, zoo ik daar schipbreuk geleden had ? Ik heb niemand tegen wien ik spreken, of die mij opbeuren kan. Maar God heeft wonderdadig het schip digt genoeg bij den wal gezonden, opdat ik daar zoo velerlei noodwendigheden uit kon bekomen, als mijne behoeften vereischen of althans mij in staat zullen stellen, zelf zoo lang ik leef, daarin te voorzien.
_Evil_. _Good_. I am cast upon a horrible, But I am alive; and not drowned, desolate island, void of all hope as all my ship’s company were. of recovery. I am singled out and separated, But I am singled out, too, from as it were, from all the world, all the ship’s crew, to be spared to be miserable. from death; and He that miraculously saved me from death can deliver me from this condition. I am divided from mankind—a But I am not starved, and solitaire; one banished from perishing on a barren place, human society. affording no sustenance. I have no clothes to cover me. But I am in a hot climate, where, if I had clothes, I could hardly wear them. I am without any defence, or But I am cast on an island where means to resist any violence of I see no wild beasts to hurt me, man or beast. as I saw on the coast of Africa; and what if I had been shipwrecked there? I have no soul to speak to or But God wonderfully sent the ship relieve me. in near enough to the shore, that I have got out as many necessary things as will either supply my wants or enable me to supply myself, even as long as I live.
Over het geheel blijkt het uit deze balans duidelijk, dat er naauwelijks eenige toestand in de wereld zoo rampzalig is, dat men niet, hetzij, om het gemis van eenig kwaad, hetzij, om het bezit van eenig goed, dankbaar moet zijn. Volgens mijne ervaring van een der bedroevendste toestanden in de wereld, vinden wij er altoos iets in, om ons mede te troosten, en bij onze overweging van denzelven, op de creditzijde te plaatsen.
Upon the whole, here was an undoubted testimony that there was scarce any condition in the world so miserable but there was something negative or something positive to be thankful for in it; and let this stand as a direction from the experience of the most miserable of all conditions in this world: that we may always find in it something to comfort ourselves from, and to set, in the description of good and evil, on the credit side of the account.
Na op deze wijze mij eenigzins in mijn toestand getroost te hebben, staarde ik niet meer zoo onophoudelijk zeewaarts, of ik een schip kon zien; maar begon mij het leven zoo aangenaam als mogelijk te maken. Reeds heb ik mijne woning beschreven, die eene tent was, tegen eene rots aan, omringd met sterke palissaden, die men wel een muur mogt heeten, want ik maakte er eenen wal tegen van zoden, van twee voet breed, aan de buitenzijde, en na eenigen tijd (ongeveer anderhalf jaar denk ik ), bragt ik staken er van tegen de rots, en bedekte die met boomtakken, en al wat ik dienstig achtte, om den regen af te weren, die sommige tijden van het jaar allerhevigst viel.
Having now brought my mind a little to relish my condition, and given over looking out to sea, to see if I could spy a ship—I say, giving over these things, I began to apply myself to arrange my way of living, and to make things as easy to me as I could. I have already described my habitation, which was a tent under the side of a rock, surrounded with a strong pale of posts and cables: but I might now rather call it a wall, for I raised a kind of wall up against it of turfs, about two feet thick on the outside; and after some time (I think it was a year and a half) I raised rafters from it, leaning to the rock, and thatched or covered it with boughs of trees, and such things as I could get, to keep out the rain; which I found at some times of the year very violent.
Ik heb reeds aangemerkt, hoe ik al mijne goederen binnen deze schans bragt en in den kelder, dien ik gemaakt had, maar ik moet er bij vermelden, dat dit in den beginne een verwarde hoop goederen was, die, daar zij ordeloos door elkander lagen, de geheele plaats vulden. Ik kon mij keeren noch wenden, dus begon ik mijn kelder te vergrooten, en dieper in den grond te werken, want de rots bestond uit lossen zandsteen, die gemakkelijk te bewerken was; en toen ik vond, dat ik voor verscheurende dieren veilig was, werkte ik zijwaarts in de rots, en toen weder regtsaf werkende, groef ik tot naar buiten, en maakte eene deur, waardoor ik buiten mijne palen of schans kwam. Dat verschafte mij niet alleen een uitgang van achteren, maar gaf mij ook ruimte, om veel goed te bergen.
I have already observed how I brought all my goods into this pale, and into the cave which I had made behind me. But I must observe, too, that at first this was a confused heap of goods, which, as they lay in no order, so they took up all my place; I had no room to turn myself: so I set myself to enlarge my cave, and work farther into the earth; for it was a loose sandy rock, which yielded easily to the labour I bestowed on it: and so when I found I was pretty safe as to beasts of prey, I worked sideways, to the right hand, into the rock; and then, turning to the right again, worked quite out, and made me a door to come out on the outside of my pale or fortification. This gave me not only egress and regress, as it was a back way to my tent and to my storehouse, but gave me room to store my goods.
En nu ging ik aan het werk, om zoodanige goederen te maken, als ik vond het meest benoodigd te zijn, vooral een stoel en tafel, want zonder deze kon ik de weinige geneugten, die ik in de wereld had, niet smaken; ik kon niet met genoegen eten of schrijven, of verschillende andere zaken verrigten, als ik niet aan eene tafel zat. Ik moet hier aanmerken, dat de rede de grondslag der wiskunde is, en dat iedereen, die gezond over berekeningen en evenredigheden kan oordeelen, alle werktuigelijke kunsten begrijpen en leeren kan. Ik had nimmer gereedschap gehanteerd, maar ten laatste vond ik, dat mij niets ontbrak of ik had het kunnen maken, vooral, als ik gereedschap had gehad. Zonder gereedschap vervaardigde ik echter ook nog veel, en sommige dingen met geen ander gereedschap dan een dissel en een bijl, die welligt nimmer op die wijze vroeger zijn vervaardigd geworden. Dit ging echter niet zonder ontzettende moeite. Als ik bij voorbeeld eene plank noodig had, zat er niet anders voor mij op, dan een boom te vellen, dien op een helling voor mij te leggen, en aan weerszijden met mijn bijl af te hakken, tot ik hem zoo dun als eene plank had gemaakt, die ik dan met mijn dissel vlak maakte. Wel is waar, ik kon op die wijze van een geheelen boom slechts eene plank maken; maar hier zat niets op dan geduld te hebben, dat hoog noodig was, voor den ontzettenden tijd en arbeid, dien het maken van eene plank mij kostte; maar mijn tijd of arbeid was weinig waard, en dus kon ik die even goed op de eene als op de andere wijze besteden.
And now I began to apply myself to make such necessary things as I found I most wanted, particularly a chair and a table; for without these I was not able to enjoy the few comforts I had in the world; I could not write or eat, or do several things, with so much pleasure without a table: so I went to work. And here I must needs observe, that as reason is the substance and origin of the mathematics, so by stating and squaring everything by reason, and by making the most rational judgment of things, every man may be, in time, master of every mechanic art. I had never handled a tool in my life; and yet, in time, by labour, application, and contrivance, I found at last that I wanted nothing but I could have made it, especially if I had had tools. However, I made abundance of things, even without tools; and some with no more tools than an adze and a hatchet, which perhaps were never made that way before, and that with infinite labour. For example, if I wanted a board, I had no other way but to cut down a tree, set it on an edge before me, and hew it flat on either side with my axe, till I brought it to be thin as a plank, and then dub it smooth with my adze. It is true, by this method I could make but one board out of a whole tree; but this I had no remedy for but patience, any more than I had for the prodigious deal of time and labour which it took me up to make a plank or board: but my time or labour was little worth, and so it was as well employed one way as another.
Ik maakte mij echter in de eerste plaats een stoel en tafel, zoo als ik zeide; en dit deed ik van de korte planken, die ik op mijn vlot van boord had gebragt; maar toen ik op de bovengemelde wijze eenige planken gemaakt had, maakte ik groote vakken van anderhalf voet breed, boven elkander, langs de eene zijde van mijn kelder, om er al mijn gereedschap, spijkers en ijzerwerk in te leggen, en ieder ding zijne afzonderlijke plaats te geven, om het gemakkelijk te kunnen vinden; ook sloeg ik krammen in den muur van de rots, om mijne geweren, en wat verder hangen kon, aan op te hangen; zoodat, als men mijn kelder gezien had, men dien als een magazijn van allerlei noodwendigheden zou beschouwd hebben. Ik had alles zoo bij de hand, dat het mij tot een groot genoegen strekte, al mijne goederen in zoo goede orde te zien, en vooral, dat mijn voorraad zoo groot was.
However, I made me a table and a chair, as I observed above, in the first place; and this I did out of the short pieces of boards that I brought on my raft from the ship. But when I had wrought out some boards as above, I made large shelves, of the breadth of a foot and a half, one over another all along one side of my cave, to lay all my tools, nails and ironwork on; and, in a word, to separate everything at large into their places, that I might come easily at them. I knocked pieces into the wall of the rock to hang my guns and all things that would hang up; so that, had my cave been to be seen, it looked like a general magazine of all necessary things; and had everything so ready at my hand, that it was a great pleasure to me to see all my goods in such order, and especially to find my stock of all necessaries so great.
Thans begon ik een dagboek van mijne verrigtingen van elken dag te houden. In den beginne was ik hiertoe te veel bezig geweest, niet alleen met werk, maar ook overladen met neêrslagtigheid, en mijn journaal ware met allerhande buitensporigheden gevuld geworden. Ik had bij voorbeeld moeten zeggen: den 30sten September. Na aan wal gekomen en voor verdrinken bewaard te zijn, in stede van toen God voor mijne bevrijding te danken, ontlastte ik eerst mijne maag van al het zeewater, dat ik in menigte binnen gekregen had, en eenigzins hersteld zijnde, liep ik langs het strand, mijne handen wringende, mij tegen het voorhoofd slaande, over mijne ellende jammerende, en uitroepende: " Ik ben verloren ! ik ben verloren ! " totdat de afgematheid mij dwong op den grond te gaan liggen, om te rusten, want ik durfde niet slapen, uit vrees van aan wilde dieren ten prooi te vallen.
And now it was that I began to keep a journal of every day’s employment; for, indeed, at first I was in too much hurry, and not only hurry as to labour, but in too much discomposure of mind; and my journal would have been full of many dull things; for example, I must have said thus: “30_th_.—After I had got to shore, and escaped drowning, instead of being thankful to God for my deliverance, having first vomited, with the great quantity of salt water which had got into my stomach, and recovering myself a little, I ran about the shore wringing my hands and beating my head and face, exclaiming at my misery, and crying out, ‘I was undone, undone!’ till, tired and faint, I was forced to lie down on the ground to repose, but durst not sleep for fear of being devoured.”
Eenige dagen daarna, en nadat ik aan boord van het schip was geweest, en al wat ik kon er uit gehaald had, kon ik toch niet nalaten een heuvel te beklimmen en in zee te zien, op hoop van een schip te bespeuren, totdat mijne verhitte verbeelding mij een zeil deed zien, dat, nadat mijne oogen schier blind gestaard waren, weder verdween, waarna ik ging zitten weenen als een kind, en op deze wijze door mijne dwaasheid mijn ongeluk vermeerderde.
Some days after this, and after I had been on board the ship, and got all that I could out of her, yet I could not forbear getting up to the top of a little mountain and looking out to sea, in hopes of seeing a ship; then fancy at a vast distance I spied a sail, please myself with the hopes of it, and then after looking steadily, till I was almost blind, lose it quite, and sit down and weep like a child, and thus increase my misery by my folly.
Toen ik dit echter eenigzins te boven was, en mijne huishouding en woning in orde bragt, mij een tafel en stoel maakte, en alles rondom mij zoo goed opknapte als ik kon, begon ik een journaal te houden, hetgeen ik hier laat volgen (schoon al de bijzonderheden reeds vermeld zijn ) zoo lang het duurde, want, toen ik op het laatst geen inkt meer had, moest ik het staken.
But having gotten over these things in some measure, and having settled my household staff and habitation, made me a table and a chair, and all as handsome about me as I could, I began to keep my journal; of which I shall here give you the copy (though in it will be told all these particulars over again) as long as it lasted; for having no more ink, I was forced to leave it off.
HET JOURNAAL.
CHAPTER V—BUILDS A HOUSE—THE JOURNAL
1659. 30 September. Ik, arme, ongelukkige Robinson Crusoe, kwam, na schipbreuk geleden te hebben, op dit rampzalig, woest eiland, dat ik het Wanhoops-eiland noemde, al mijne scheepsmakkers zijn verdronken, en ik zelf half dood.
September 30, 1659.—I, poor miserable Robinson Crusoe, being shipwrecked during a dreadful storm in the offing, came on shore on this dismal, unfortunate island, which I called “The Island of Despair”; all the rest of the ship’s company being drowned, and myself almost dead.
Den geheelen verderen dag bragt ik door met mijn ongelukkig lot te bejammeren. Ik had geen voedsel, woning, kleederen, wapenen noch toevlugtsoord, en aan alle uitkomst wanhopende, niets dan den dood voor oogen, hetzij, dat ik door wilde dieren verslonden, door wilden vermoord, of uit gebrek aan voedsel verhongeren moest. Bij het aanbreken van den nacht, ging ik, uit vrees voor wilde dieren, in een boom slapen, maar sliep gerust, schoon het den geheelen nacht regende.
All the rest of the day I spent in afflicting myself at the dismal circumstances I was brought to—viz. I had neither food, house, clothes, weapon, nor place to fly to; and in despair of any relief, saw nothing but death before me—either that I should be devoured by wild beasts, murdered by savages, or starved to death for want of food. At the approach of night I slept in a tree, for fear of wild creatures; but slept soundly, though it rained all night.
1 October. In den morgen zag ik met verwondering, dat het schip met den vloed vlot was geraakt en op het strand veel digter bij het eiland was gedreven; hetwelk aan den eenen kant eene vertroosting was, want daar het overeind was en niet in stukken gebroken, hoopte ik, als de wind bedaarde, er aan boord te komen en eenig voedsel en noodwendigheden voor mij uit te halen. Aan den anderen kant hernieuwde het mijn jammer over het verlies mijner makkers, die, als wij allen aan boord gebleven waren, welligt het schip behouden hadden; althans zouden zij niet allen verdronken zijn, gelijk thans. En zoo zij gered waren, hadden wij misschien uit de overblijfselen van het schip eene boot kunnen bouwen, om ons naar een ander deel der wereld te brengen. Ik bragt den geheelen dag door met hierover te peinzen, maar, toen ik eindelijk zag, dat het schip bijkans droog zat, ging ik op het zand er zoo digt bij als ik kon, en zwom toen aan boord. Het regende ook heden den geheelen dag, schoon zonder eenigen wind.
_October_ 1.—In the morning I saw, to my great surprise, the ship had floated with the high tide, and was driven on shore again much nearer the island; which, as it was some comfort, on one hand—for, seeing her set upright, and not broken to pieces, I hoped, if the wind abated, I might get on board, and get some food and necessaries out of her for my relief—so, on the other hand, it renewed my grief at the loss of my comrades, who, I imagined, if we had all stayed on board, might have saved the ship, or, at least, that they would not have been all drowned as they were; and that, had the men been saved, we might perhaps have built us a boat out of the ruins of the ship to have carried us to some other part of the world. I spent great part of this day in perplexing myself on these things; but at length, seeing the ship almost dry, I went upon the sand as near as I could, and then swam on board. This day also it continued raining, though with no wind at all.
Van 1 tot 24 October. Al deze dagen doorgebragt in het doen van verschillende togten, om al wat ik kon uit het schip te halen, hetgeen ik telkens, als de vloed doorkwam, op vlotten aan wal bragt. Veel regen in deze dagen, doch tusschenbeide mooi weder; het schijnt, dat dit het regenachtige jaargetijde is.
_From the 1st of October to the 24th_.—All these days entirely spent in many several voyages to get all I could out of the ship, which I brought on shore every tide of flood upon rafts. Much rain also in the days, though with some intervals of fair weather; but it seems this was the rainy season.
24 October. Mijn vlot viel om en al wat er op lag, maar, daar het in ondiep water was, en er veel zware goederen bij waren, bekwam ik er bij laag water veel van terug.
_Oct._ 20.—I overset my raft, and all the goods I had got upon it; but, being in shoal water, and the things being chiefly heavy, I recovered many of them when the tide was out.
25 October. Het regende den geheelen nacht en dag, met eenige windvlagen, gedurende welken tijd het schip verbrijzeld werd, en er niets meer van te zien bleef, dan alleen bij laag water het wrak. Ik bragt den dag door met de goederen, die ik gered had, te bergen en te bedekken, opdat de regen ze niet zou bederven.
_Oct._ 25.—It rained all night and all day, with some gusts of wind; during which time the ship broke in pieces, the wind blowing a little harder than before, and was no more to be seen, except the wreck of her, and that only at low water. I spent this day in covering and securing the goods which I had saved, that the rain might not spoil them.
26 October. Bijkans den geheelen dag liep ik het strand langs, om eene plaats te zoeken, waar ik mijn verblijf zou kiezen, vooral bezorgd, om mij voor eenigen nachtelijken overval van menschen of beesten te beveiligen. Tegen den avond koos ik eene geschikte plaats uit, tegen eene rots aan, en maakte een halven cirkel voor mijn verblijf, dat ik besloot te versterken met een wal of schans, uit twee rijen palen, van binnen met kabeltouw belegd, en van buiten met zoden.
_Oct._ 26.—I walked about the shore almost all day, to find out a place to fix my habitation, greatly concerned to secure myself from any attack in the night, either from wild beasts or men. Towards night, I fixed upon a proper place, under a rock, and marked out a semicircle for my encampment; which I resolved to strengthen with a work, wall, or fortification, made of double piles, lined within with cables, and without with turf.
Van den 26sten tot 30sten werkte ik zeer hard, om al mijn goed naar mijne nieuwe woning te vervoeren, schoon het somtijds zeer hard regende.
From the 26th to the 30th I worked very hard in carrying all my goods to my new habitation, though some part of the time it rained exceedingly hard.
Den 31sten. In den morgen ging ik uit met mijn geweer, om eenig voedsel te zoeken en het land te ontdekken. Ik doodde eene geit en haar jong volgde mij naar huis, dat ik naderhand ook doodde, omdat het niet eten wilde.
The 31st, in the morning, I went out into the island with my gun, to seek for some food, and discover the country; when I killed a she-goat, and her kid followed me home, which I afterwards killed also, because it would not feed.
1 November. Ik sloeg mijne tent op onder eene rots, en bragt daarin den eersten nacht door; ik heb die zoo wijd gemaakt als ik kon, en er palen in geslagen, om mijne hangmat aan te hangen.
_November_ 1.—I set up my tent under a rock, and lay there for the first night; making it as large as I could, with stakes driven in to swing my hammock upon.
2 November. Ik zette al mijne kisten en planken en de rondhouten van mijne vlotten op, en maakte daarvan eene verschansing, een weinig binnen de plaats, die ik gekozen had, om mij te vestigen.
_Nov._ 2.—I set up all my chests and boards, and the pieces of timber which made my rafts, and with them formed a fence round me, a little within the place I had marked out for my fortification.
3 November. Ik ging uit met mijn geweer, en schoot twee vogels, naar eendvogels gelijkende, die zeer goed waren om te eten. Des namiddags ging ik aan het werk, om eene tafel te maken.
_Nov._ 3.—I went out with my gun, and killed two fowls like ducks, which were very good food. In the afternoon went to work to make me a table.
4 November. Dezen morgen begon ik mijn tijd te verdeelen, in werkuren, een tijd, om met mijn geweer uit te gaan, een tijd, om te slapen en een tijd tot uitspanning. Elken morgen ging ik, als het niet regende, twee of drie uren met mijn geweer uit; dan ging ik aan het werk tot tegen elf uren; dan at ik wat ik had, en van twaalf tot twee uren deed ik een slaapje, daar het alsdan drukkend heet was, en ging dan weder tot den avond aan het werk. Dezen en den volgenden dag besteedde ik al mijne werkuren aan het maken van eene tafel; maar ik was een bedroefde timmerman, hoewel de tijd en de noodzakelijkheid mij spoedig een goed handwerksman maakten, gelijk zij, geloof ik, iedereen zouden doen.
_Nov_. 4.—This morning I began to order my times of work, of going out with my gun, time of sleep, and time of diversion—viz. every morning I walked out with my gun for two or three hours, if it did not rain; then employed myself to work till about eleven o’clock; then eat what I had to live on; and from twelve to two I lay down to sleep, the weather being excessively hot; and then, in the evening, to work again. The working part of this day and of the next were wholly employed in making my table, for I was yet but a very sorry workman, though time and necessity made me a complete natural mechanic soon after, as I believe they would do any one else.
5 November. Dezen dag ging ik met mijn geweer en mijn hond uit, en schoot eene wilde kat; hare huid was zeer zacht, maar haar vleesch deugde niets. Ieder dier, dat ik doodde, stroopte ik de huid af en bewaarde die. Toen ik langs het strand terugkeerde, zag ik verscheidene zeevogels, die ik niet kende, maar ik was verrast en bijkans verschrikt door het zien van twee robben, die, terwijl ik er op staarde, en alvorens ik zag wat dit waren, in zee doken en mij voor dat oogenblik ontsnapten.
_Nov._ 5.—This day went abroad with my gun and my dog, and killed a wild cat; her skin pretty soft, but her flesh good for nothing; every creature that I killed I took of the skins and preserved them. Coming back by the sea-shore, I saw many sorts of sea-fowls, which I did not understand; but was surprised, and almost frightened, with two or three seals, which, while I was gazing at, not well knowing what they were, got into the sea, and escaped me for that time.
6 November. Na mijne ochtendwandeling ging ik weder aan mijne tafel aan het werk, en maakte die af, schoon zij mij niet beviel; het duurde echter niet lang of ik kon haar verbeteren.
_Nov._ 6.—After my morning walk I went to work with my table again, and finished it, though not to my liking; nor was it long before I learned to mend it.
7 November. Het werd thans bestendig weder. Den 7den, 8sten, 9den, 10den en een gedeelte van den 12den (want naar mijne rekening was het den 11den, zondag ) besteedde ik geheel in het maken van een stoel, en gaf daar met veel moeite een redelijk fatsoen aan, schoon hij mij nimmer beviel, en ik onder het maken hem verscheidene malen weder aan stukken brak.
_Nov._ 7.—Now it began to be settled fair weather. The 7th, 8th, 9th, 10th, and part of the 12th (for the 11th was Sunday) I took wholly up to make me a chair, and with much ado brought it to a tolerable shape, but never to please me; and even in the making I pulled it in pieces several times.
Ik moet hierbij aanmerken, dat ik spoedig vergat de zondagen te rekenen, omdat ik hun merk op den stijl vergeten had.
_Note_.—I soon neglected my keeping Sundays; for, omitting my mark for them on my post, I forgot which was which.
13 November. Dezen dag regende het, hetgeen mij zeer verfrischte, en de aarde verkoelde; maar de regen ging met een verschrikkelijk onweder gepaard, hetgeen mij voor mijn kruid veel angst deed uitstaan. Zoodra dat voorbij was, besloot ik al mijn kruid in kleine gedeelten te bergen, opdat het geen gevaar zou loopen.
_Nov._ 13.—This day it rained, which refreshed me exceedingly, and cooled the earth; but it was accompanied with terrible thunder and lightning, which frightened me dreadfully, for fear of my powder. As soon as it was over, I resolved to separate my stock of powder into as many little parcels as possible, that it might not be in danger.
14, 15 en 16 November. Deze drie dagen sleet ik geheel met het maken van vierkante kistjes of doozen, die een of op zijn hoogst twee pond kruid konden bevatten, en na het kruid er in geborgen te hebben, zette ik die in zoo veilige en afgelegen plaatsen als ik kon. Op een van deze drie dagen schoot ik een grooten vogel, die goed om te eten was, maar wiens naam ik niet kende.
_Nov._ 14, 15, 16.—These three days I spent in making little square chests, or boxes, which might hold about a pound, or two pounds at most, of powder; and so, putting the powder in, I stowed it in places as secure and remote from one another as possible. On one of these three days I killed a large bird that was good to eat, but I knew not what to call it.
17 November. Dezen dag begon ik achter mijne tent in de rots te graven, om meerder ruimte voor mij te verkrijgen.
_Nov._ 17.—This day I began to dig behind my tent into the rock, to make room for my further conveniency.
Drie dingen had ik hiertoe vooral noodig; te weten een houweel, een schop en een kruiwagen. Ik liet dus het werk staan, en begon te overwegen, hoe ik in dit gebrek voorzien en mij eenige werktuigen vervaardigen zou. In plaats van het houweel, kon ik een der ijzeren koevoeten gebruiken, hoewel die zwaar genoeg waren; maar thans had ik eene spade noodig; deze was zoo noodig, dat ik zonder haar niet veel uitrigten kon; maar hoe ik er eene maken zou wist ik niet.
_Note_.—Three things I wanted exceedingly for this work—viz. a pickaxe, a shovel, and a wheelbarrow or basket; so I desisted from my work, and began to consider how to supply that want, and make me some tools. As for the pickaxe, I made use of the iron crows, which were proper enough, though heavy; but the next thing was a shovel or spade; this was so absolutely necessary, that, indeed, I could do nothing effectually without it; but what kind of one to make I knew not.
18 November. Den volgenden dag vond ik in het bosch een boom van het hout, dat men in Brazilië ijzerhout noemt, omdat het zoo hard is. Ik kapte hiervan een gedeelte, schoon met veel moeite, en hoewel het mij bijkans mijne bijl gekost had, en bragt het moeijelijk genoeg naar huis, want het was zeer zwaar. De ontzettende hardheid van dit hout, hield mij lang op, hoewel ik er echter van lieverlede het fatsoen van een spade aan gaf, van boven met een handvatsel gelijk de onze; maar daar het ondereinde niet van ijzer was, kon zij zoo lang niet duren. Zij was echter voldoende voor hetgeen ik ermede doen wilde. Ik geloof niet, dat men ooit eene spade op die manier, of die zooveel tijd kostte, gemaakt heeft.
_Nov._ 18.—The next day, in searching the woods, I found a tree of that wood, or like it, which in the Brazils they call the iron-tree, for its exceeding hardness. Of this, with great labour, and almost spoiling my axe, I cut a piece, and brought it home, too, with difficulty enough, for it was exceeding heavy. The excessive hardness of the wood, and my having no other way, made me a long while upon this machine, for I worked it effectually by little and little into the form of a shovel or spade; the handle exactly shaped like ours in England, only that the board part having no iron shod upon it at bottom, it would not last me so long; however, it served well enough for the uses which I had occasion to put it to; but never was a shovel, I believe, made after that fashion, or so long in making.
Ik had nog niet al wat ik noodig had; ik moest nog eene mand of een kruiwagen hebben. Eene mand kon ik niet maken, omdat ik geen buigzame teenen bezat, ik vond ze althans niet; en wat den kruiwagen betreft, ik verbeeldde mij, dat ik die zeer goed zou kunnen maken, behalve het wiel; daar had ik geen begrip van, en wist niet, hoe ik het aan zou vangen; bovendien had ik geen ijzeren banden, waarin de as van het wiel kon loopen; dus gaf ik dit op. Om dus de aarde, die ik uitdelfde, weg te dragen, maakte ik eene soort van bak, gelijk die, waarin de metselaars hunne kalk dragen. Dit maken ging gemakkelijker dan de spade, en toch had ik aan het een en ander, en aan mijne vergeefsche pogingen, om een kruiwagen zamen te stellen, vier dagen noodig; altijd daar afgerekend mijne morgenwandelingen, die ik zelden verzuimde, en waarvan ik ook meestal iets eetbaars te huis bragt.
I was still deficient, for I wanted a basket or a wheelbarrow. A basket I could not make by any means, having no such things as twigs that would bend to make wicker-ware—at least, none yet found out; and as to a wheelbarrow, I fancied I could make all but the wheel; but that I had no notion of; neither did I know how to go about it; besides, I had no possible way to make the iron gudgeons for the spindle or axis of the wheel to run in; so I gave it over, and so, for carrying away the earth which I dug out of the cave, I made me a thing like a hod which the labourers carry mortar in when they serve the bricklayers. This was not so difficult to me as the making the shovel: and yet this and the shovel, and the attempt which I made in vain to make a wheelbarrow, took me up no less than four days—I mean always excepting my morning walk with my gun, which I seldom failed, and very seldom failed also bringing home something fit to eat.
23 November. Daar mijn ander werk stil gestaan had, terwijl ik mijne gereedschappen maakte, hervatte ik dit thans, en werkte er zooveel aan als mijne krachten mij toelieten, achttien dagen achtereen aan het verwijden en uitdiepen van mijn kelder, ten einde al mijne goederen er gemakkelijk in zouden kunnen staan.
_Nov._ 23.—My other work having now stood still, because of my making these tools, when they were finished I went on, and working every day, as my strength and time allowed, I spent eighteen days entirely in widening and deepening my cave, that it might hold my goods commodiously.
Al dien tijd werkte ik, om eene kamer of kelder te maken, groot genoeg om mij tot magazijn, tot keuken, tot eetkamer en tot kelder te verstrekken. De tent was mijne eigenlijke woning; maar in het regensaisoen regende het somtijds zoo hard, dat ik er mij niet droog kon houden, daarom bedekte ik naderhand mijn geheele verblijf binnen de palissaden, met lange staken in den vorm van latten, tegen de rots aan liggende, en bedekte die met takken en bladeren.
_Note_.—During all this time I worked to make this room or cave spacious enough to accommodate me as a warehouse or magazine, a kitchen, a dining-room, and a cellar. As for my lodging, I kept to the tent; except that sometimes, in the wet season of the year, it rained so hard that I could not keep myself dry, which caused me afterwards to cover all my place within my pale with long poles, in the form of rafters, leaning against the rock, and load them with flags and large leaves of trees, like a thatch.
10 December. Ik had thans gedacht, dat mijn kelder zoo goed als gereed was; toen plotseling (naar het schijnt, had ik te wijd uitgegraven ) een zoo groote menigte aarde, van boven en van een der zijden, viel, dat ik er hevig van ontroerde, en geen wonder, want ware ik er onder geweest, men had nimmer een graf voor mij behoeven te graven. Deze tegenspoed verschafte mij op nieuw een groot deel werk, want ik moest de losse aarde naar buiten brengen, en, wat van meer belang was, het gewelf stutten, opdat ik voor geene herhaling van dit ongeval behoefde te vreezen.
_December_ 10.—I began now to think my cave or vault finished, when on a sudden (it seems I had made it too large) a great quantity of earth fell down from the top on one side; so much that, in short, it frighted me, and not without reason, too, for if I had been under it, I had never wanted a gravedigger. I had now a great deal of work to do over again, for I had the loose earth to carry out; and, which was of more importance, I had the ceiling to prop up, so that I might be sure no more would come down.
11 December. Ik ging hieraan werken, en stutte den zolder met twee stijlen met twee planken dwars er over; den volgenden dag was dit afgewerkt, en door nog meer stutten te plaatsen, had ik in eene week het dak in orde, en de op rijen staande palen, dienden thans om de verdeelingen van mijn huis te maken.
_Dec_. 11.—This day I went to work with it accordingly, and got two shores or posts pitched upright to the top, with two pieces of boards across over each post; this I finished the next day; and setting more posts up with boards, in about a week more I had the roof secured, and the posts, standing in rows, served me for partitions to part off the house.
17 December. Van dezen dag tot den 20sten hield ik mij bezig met planken te leggen en spijkers te slaan in de stijlen, om alles, wat ik kon, daaraan te hangen, en thans begon ik binnen ' s huis eenigzins op orde te komen.
_Dec._ 17.—From this day to the 20th I placed shelves, and knocked up nails on the posts, to hang everything up that could be hung up; and now I began to be in some order within doors.
20 December. Thans droeg ik alles in den kelder en begon mijne woning te meubeleren, en eenige planken te plaatsen, om levensmiddelen op te leggen; maar de planken werden schraal. Ook maakte ik eene andere tafel.
_Dec._ 20.—Now I carried everything into the cave, and began to furnish my house, and set up some pieces of boards like a dresser, to order my victuals upon; but boards began to be very scarce with me; also, I made me another table.
24 December. Het regent den geheelen nacht en dag, zoodat ik niet kan uitgaan.
_Dec._ 24.—Much rain all night and all day. No stirring out.
25 December. Den geheelen dag regen.
_Dec._ 25.—Rain all day.
26 December. Droog weder en de grond veel koeler en aangenamer dan te voren.
_Dec._ 26.—No rain, and the earth much cooler than before, and pleasanter.
27 December. Ik schoot een jonge geit, en kwetste een andere, zoodat ik haar ving en naar huis droeg. Daar gekomen bond ik het dier vast en spalkte haar poot.
_Dec._ 27.—Killed a young goat, and lamed another, so that I caught it and led it home in a string; when I had it at home, I bound and splintered up its leg, which was broke.
NB. Ik droeg zooveel zorg voor haar, dat zij in leven bleef, en de poot genas en werd zoo goed als te voren. Door haar zoo lang op te passen werd zij tam, en leefde van het weinige gras voor mijne deur, en wilde niet weder weg. Dit deed mij voor het eerst denken eenige tamme dieren aan te fokken, ten einde voedsel van hen te hebben als mijn kruid op zou zijn.
_N.B._—I took such care of it that it lived, and the leg grew well and as strong as ever; but, by my nursing it so long, it grew tame, and fed upon the little green at my door, and would not go away. This was the first time that I entertained a thought of breeding up some tame creatures, that I might have food when my powder and shot was all spent.
28, 29 en 30 December. Zware hitte en geen wind, zoodat ik niet naar buiten kon, dan tegen den avond op wild uitgaan. Dezen tijd bragt ik door met in mijne huishouding alles in orde te brengen.
_Dec._ 28,29,30,31.—Great heats, and no breeze, so that there was no stirring abroad, except in the evening, for food; this time I spent in putting all my things in order within doors.
1 Januarij. Het was nog drukkend warm; maar ik ging ' s morgens en ' s avonds met mijn geweer uit, en nam op het midden van den dag rust. Dezen avond was ik verder de valleijen ingegaan, die naar het midden van het eiland voerden, en vond, dat daar geiten in menigte waren, schoon uiterst schuw en moeijelijk te bekruipen. Ik besloot echter te beproeven, of ik mijn hond er geen jagt op kon doen maken. 2 Januarij. Ik ging derhalve den volgenden dag met mijn hond uit, en hitste hem op de geiten aan; maar ik had mij misrekend, want zij hielden stand tegen den hond, en deze besefte zijn gevaar, want hij durfde haar niet naderen.
_January_ 1.—Very hot still: but I went abroad early and late with my gun, and lay still in the middle of the day. This evening, going farther into the valleys which lay towards the centre of the island, I found there were plenty of goats, though exceedingly shy, and hard to come at; however, I resolved to try if I could not bring my dog to hunt them down. _Jan._ 2.—Accordingly, the next day I went out with my dog, and set him upon the goats, but I was mistaken, for they all faced about upon the dog, and he knew his danger too well, for he would not come near them.
3 Januarij. Ik begon aan mijne heining of wal, dien ik zoo sterk als mogelijk besloot te maken, om dat ik nog altijd vreesde overvallen te zullen worden.
_Jan._ 3.—I began my fence or wall; which, being still jealous of my being attacked by somebody, I resolved to make very thick and strong.
NB. Daar deze wal vroeger beschreven is, zal ik hier weglaten wat deswege in mijn journaal staat; alleen zal ik vermelden, dat ik van den 3 Januarij tot den 14 April bezig was aan het maken, voltooijen en verbeteren van dezen muur, schoon hij niet meer dan vierentwintig el lang was, zijnde een halve cirkel, van eene plaats in de rots, tot aan eene andere, acht el vandaar, terwijl de deur van den kelder in het midden achter denzelven was.
_N.B._—This wall being described before, I purposely omit what was said in the journal; it is sufficient to observe, that I was no less time than from the 2nd of January to the 14th of April working, finishing, and perfecting this wall, though it was no more than about twenty-four yards in length, being a half-circle from one place in the rock to another place, about eight yards from it, the door of the cave being in the centre behind it.
Al dien tijd werkte ik hard, hoewel de regen mij vele dagen, ja weken achtereen hinderde; maar ik achtte mij niet veilig voor de geheele muur af was; en men kan naauwelijks gelooven, welken ontzettenden arbeid alles vereischte, vooral het halen van de palen uit het bosch, en hen in den grond te slaan; want ik nam veel zwaarder dan noodig was.
All this time I worked very hard, the rains hindering me many days, nay, sometimes weeks together; but I thought I should never be perfectly secure till this wall was finished; and it is scarce credible what inexpressible labour everything was done with, especially the bringing piles out of the woods and driving them into the ground; for I made them much bigger than I needed to have done.
Toen deze muur voltooid, en van buiten met een wal van zoden beschermd was, achtte ik het voor zeker, dat, zoo er eenig volk aan het strand kwam, zij niets, wat naar eene woning geleek, zouden bemerken; en een merkwaardig geval bewees naderhand, dat ik wel geoordeeld had.
When this wall was finished, and the outside double fenced, with a turf wall raised up close to it, I perceived myself that if any people were to come on shore there, they would not perceive anything like a habitation; and it was very well I did so, as may be observed hereafter, upon a very remarkable occasion.
Gedurende dezen tijd deed ik alle dagen, als de regen het toeliet, de ronde in het bosch, en ontdekte dikwijls op deze togten veel, dat mij van nut was. Zoo vond ik eene soort van wilde duiven, die niet gelijk de houtduiven op boomen, maar als huisduiven in spleten van de rotsen nestelden. Ik nam eenige jongen mede en trachtte die tam te maken; maar toen zij ouder werden vlogen zij allen weg, misschien, omdat ik haar geen eten gaf, want ik had dit niet. Ik vond echter dikwijls hare nesten, en nam de jongen er uit, die zeer goed om te eten waren. Ik begon thans te denken om verscheidene dingen, die mij in mijn huishouding ontbraken, te maken, hetgeen ik eerst als geheel onmogelijk had beschouwd, gelijk ook met sommigen het geval was; ik kon bij voorbeeld nimmer een ton maken; ik had een paar vaatjes, gelijk ik gezegd heb, maar ik kon er nimmer een paar maken, schoon ik er verscheidene weken aan zoek bragt; ik kon nimmer den bodem of de duigen zoo goed bijeenbrengen, dat het water hield; dus gaf ik het op.
During this time I made my rounds in the woods for game every day when the rain permitted me, and made frequent discoveries in these walks of something or other to my advantage; particularly, I found a kind of wild pigeons, which build, not as wood-pigeons in a tree, but rather as house-pigeons, in the holes of the rocks; and taking some young ones, I endeavoured to breed them up tame, and did so; but when they grew older they flew away, which perhaps was at first for want of feeding them, for I had nothing to give them; however, I frequently found their nests, and got their young ones, which were very good meat. And now, in the managing my household affairs, I found myself wanting in many things, which I thought at first it was impossible for me to make; as, indeed, with some of them it was: for instance, I could never make a cask to be hooped. I had a small runlet or two, as I observed before; but I could never arrive at the capacity of making one by them, though I spent many weeks about it; I could neither put in the heads, or join the staves so true to one another as to make them hold water; so I gave that also over.
Ik was zeer verlegen ook om kaarsen, want zoodra het duister was, dat is te zeven ure gewoonlijk, moest ik naar bed gaan. Ik wenschte thans wel dien klomp was te bezitten, dien ik op mijne reis langs de Afrikaansche kust had; maar al wat mij thans overschoot was, als ik eene geit gedood had, dat ik dan het vet bewaarde, in eene kom van klei, in de zon gedroogd, en een pit van eiken schors daarin brandde. Te midden van mijn arbeid kwam mij een zakje in de hand, waarin koorn was geweest, om het vorige gevogelte mede te voeden, ik denk toen het schip van Lissabon kwam. Wat er in overgebleven was, hadden de ratten opgegeten, en ik zag niets in den zak dan stof en vuilnis, en daar ik het zakje wilde gebruiken (ik denk om kruid in te doen, dat ik toen verdeelde, uit vrees voor den bliksem ) schudde ik den zak uit, aan de eene zijde van mijne schans onder de rots.
In the next place, I was at a great loss for candles; so that as soon as ever it was dark, which was generally by seven o’clock, I was obliged to go to bed. I remembered the lump of beeswax with which I made candles in my African adventure; but I had none of that now; the only remedy I had was, that when I had killed a goat I saved the tallow, and with a little dish made of clay, which I baked in the sun, to which I added a wick of some oakum, I made me a lamp; and this gave me light, though not a clear, steady light, like a candle. In the middle of all my labours it happened that, rummaging my things, I found a little bag which, as I hinted before, had been filled with corn for the feeding of poultry—not for this voyage, but before, as I suppose, when the ship came from Lisbon. The little remainder of corn that had been in the bag was all devoured by the rats, and I saw nothing in the bag but husks and dust; and being willing to have the bag for some other use (I think it was to put powder in, when I divided it for fear of the lightning, or some such use), I shook the husks of corn out of it on one side of my fortification, under the rock.
Kort voor den grooten regen, waarvan ik sprak, had ik dit gedaan, zonder er verder over te denken. Maar eene maand of zoo daarna zag ik iets groens opschieten, hetwelk ik eene plant dacht te zijn, die ik nog niet kende, maar ik stond geheel verbaasd, toen ik eene poos daarna tien of twaalf aren zag opschieten, die volmaakt naar het Europesche, ja naar het Engelsche graan geleken.
It was a little before the great rains just now mentioned that I threw this stuff away, taking no notice, and not so much as remembering that I had thrown anything there, when, about a month after, or thereabouts, I saw some few stalks of something green shooting out of the ground, which I fancied might be some plant I had not seen; but I was surprised, and perfectly astonished, when, after a little longer time, I saw about ten or twelve ears come out, which were perfect green barley, of the same kind as our European—nay, as our English barley.
Het is mij onmogelijk de verbazing en verbijstering, waarin dit mij bragt, uit te drukken. Ik had tot hiertoe naar geenerlei godsdienstige gronden in het geheel gehandeld; ik had zeer weinig begrip van de godsdienst, noch iets wat mij overkomen was anders beschouwd, dan alsof het toeval dit zoo gewild, of gelijk men zonder nadenken zegt, zoo als het den Hemel behaagd had; maar zonder na te denken over de redenen, waarom de Voorzienigheid de wereldsche gebeurtenissen aldus schikt. Maar toen ik daar rogge zag groeijen, in eene hemelstreek, die ik wist, dat geen koorn opleverde; en terwijl ik niet wist hoe het daar kwam, trof mij dit ten sterkste, en ik begon te vermoeden, dat God dit graan wonderbaarlijk had laten groeijen, zonder dat het gezaaid was geworden, en dat het alleen tot mijn onderhoud in deze woeste eenzame plaats opgeschoten was.
It is impossible to express the astonishment and confusion of my thoughts on this occasion. I had hitherto acted upon no religious foundation at all; indeed, I had very few notions of religion in my head, nor had entertained any sense of anything that had befallen me otherwise than as chance, or, as we lightly say, what pleases God, without so much as inquiring into the end of Providence in these things, or His order in governing events for the world. But after I saw barley grow there, in a climate which I knew was not proper for corn, and especially that I knew not how it came there, it startled me strangely, and I began to suggest that God had miraculously caused His grain to grow without any help of seed sown, and that it was so directed purely for my sustenance on that wild, miserable place.
Dit perste mij de tranen uit de oogen, en ik beschouwde mij als door den Hemel bijzonder begunstigd, dat zulk een wonderlijke gebeurtenis voor mij geschied was. Het verwonderde mij te meer, omdat ik daar digtbij, langs de zijde van de rots, hier en daar eenige weinige halmen zag van rijst, die ik kende, omdat ik ze in Afrika, toen ik daar was, had zien groeijen.
This touched my heart a little, and brought tears out of my eyes, and I began to bless myself that such a prodigy of nature should happen upon my account; and this was the more strange to me, because I saw near it still, all along by the side of the rock, some other straggling stalks, which proved to be stalks of rice, and which I knew, because I had seen it grow in Africa when I was ashore there.
Niet twijfelende, dat de Voorzienigheid dit aldus voor mij beschikt had en dat er nog meer aldaar was, ging ik alle deelen van het eiland door, waar ik vroeger geweest was, zocht in iederen hoek en onder iedere rots, om nog meer te zien, maar kon niets meer vinden. Eindelijk kwam het mij in de gedachten, dat ik den zak, waarin het voedsel voor de kiekens geweest was, daar uitgeschud had, en toen was het wonder opgehelderd, en daarmede, ik moet het bekennen, mijne erkentelijkheid voor Gods goedertierenheid, ten einde. Ik had echter dezelfde reden tot dankbaarheid, alsof het daar door een wonder gekomen was, want het was waarlijk eene bestiering der Voorzienigheid, dat tien of twaalf korrels graan onbedorven waren gebleven, terwijl de ratten al het overige vernield hadden; vervolgens, dat ik het juist op die plek had moeten werpen, waar het, doordien het onder de schaduw van eene hooge rots stond, onmiddellijk kon opschieten, terwijl, zoo het te dier tijd ergens anders gevallen ware, het verzengd en vernield zou geworden zijn.
I not only thought these the pure productions of Providence for my support, but not doubting that there was more in the place, I went all over that part of the island, where I had been before, peering in every corner, and under every rock, to see for more of it, but I could not find any. At last it occurred to my thoughts that I shook a bag of chickens’ meat out in that place; and then the wonder began to cease; and I must confess my religious thankfulness to God’s providence began to abate, too, upon the discovering that all this was nothing but what was common; though I ought to have been as thankful for so strange and unforeseen a providence as if it had been miraculous; for it was really the work of Providence to me, that should order or appoint that ten or twelve grains of corn should remain unspoiled, when the rats had destroyed all the rest, as if it had been dropped from heaven; as also, that I should throw it out in that particular place, where, it being in the shade of a high rock, it sprang up immediately; whereas, if I had thrown it anywhere else at that time, it had been burnt up and destroyed.
Ik gaarde zorgvuldig de aren op, gelijk men wel denken kan, toen zij rijp waren, hetgeen in het laatst van Junij was, en ieder korrel bewarende, besloot ik die op nieuw te zaaijen, in de hoop van met der tijd genoeg te bekomen, om mij brood te verschaffen. Het was echter eerst in het vierde jaar, dat ik mij veroorloofde iets van het graan te eten, en dit nog zeer spaarzaam, gelijk men later vernemen zal. Behalve dit graan waren er twintig of dertig rijsthalmen opgeschoten, die ik even zorgvuldig en met hetzelfde oogmerk bewaarde, namelijk, om later mij tot brood, of liever tot spijs te verstrekken; want ik vond middel om het te koken, zonder het te bakken, schoon ik dit naderhand ook deed. Doch ik keer tot mijn journaal terug.
I carefully saved the ears of this corn, you may be sure, in their season, which was about the end of June; and, laying up every corn, I resolved to sow them all again, hoping in time to have some quantity sufficient to supply me with bread. But it was not till the fourth year that I could allow myself the least grain of this corn to eat, and even then but sparingly, as I shall say afterwards, in its order; for I lost all that I sowed the first season by not observing the proper time; for I sowed it just before the dry season, so that it never came up at all, at least not as it would have done; of which in its place. Besides this barley, there were, as above, twenty or thirty stalks of rice, which I preserved with the same care and for the same use, or to the same purpose—to make me bread, or rather food; for I found ways to cook it without baking, though I did that also after some time. But to return to my Journal.
Ik werkte deze drie of vier maanden uiterst hard, om mijn muur gereed te krijgen, en den 14 April sloot ik dien geheel, en ging naar buiten, niet door eene deur, maar over eene ladder, ten einde er aan de buitenzijde geen spoor van mogt overblijven.
I worked excessive hard these three or four months to get my wall done; and the 14th of April I closed it up, contriving to go into it, not by a door but over the wall, by a ladder, that there might be no sign on the outside of my habitation.
16 April. Ik maakte de ladder af; klom met dezelve naar boven, haalde die achter mij op, en liet die van binnen zakken. Ik had thans een volkomen omheining voor mij; en van buiten kon men mij niet dan over den muur genaken.
_April_ 16.—I finished the ladder; so I went up the ladder to the top, and then pulled it up after me, and let it down in the inside. This was a complete enclosure to me; for within I had room enough, and nothing could come at me from without, unless it could first mount my wall.
Den dag nadat ik dezen muur voltooid had, was bijkans al mijn arbeid vruchteloos geweest, en ik zelf verongelukt. Dit was het geval. Toen ik van binnen bezig was achter mijne tent, vlak in den ingang van mijn kelder, schrikte ik allerhevigst door iets, dat waarlijk ook allerverbazendst was. De aarde kwam van den zolder, van mijn kelder en van de zijde van den heuvel over mijn hoofd rollen, en twee van de stijlen, die ik in den kelder overeinde had gezet, kraakten allerhevigst. Ik was ernstig geschrikt, maar dacht volstrekt niet aan de ware oorzaak; alleenlijk begreep ik, dat de zolder van mijn kelder instortte, gelijk vroeger nog eens gebeurd was. Uit vrees dus van daaronder bedolven te worden, ijlde ik weg, en achtte mij niet veilig voor ik over den muur was, uit vrees, dat de stukken rots op mijn hoofd mogten vallen. Naauwelijks was ik op vasten grond, of ik zag duidelijk, dat het eene verschrikkelijke aardbeving was, want de grond, waarop ik stond, schudde driemaal, ongeveer acht minuten na elkander, zoo hevig, dat de sterkste gebouwen er door hadden moeten instorten, en een top van eene rots, die een halfuur van mij af, digt aan zee stond, viel met zulk een verschrikkelijk geraas naar beneden, als ik nimmer hoorde. Ik bemerkte ook dat de zee in hevige beweging was, en ik geloof, dat de schokken onder het water sterker dan op het eiland waren.
The very next day after this wall was finished I had almost had all my labour overthrown at once, and myself killed. The case was thus: As I was busy in the inside, behind my tent, just at the entrance into my cave, I was terribly frighted with a most dreadful, surprising thing indeed; for all on a sudden I found the earth come crumbling down from the roof of my cave, and from the edge of the hill over my head, and two of the posts I had set up in the cave cracked in a frightful manner. I was heartily scared; but thought nothing of what was really the cause, only thinking that the top of my cave was fallen in, as some of it had done before: and for fear I should be buried in it I ran forward to my ladder, and not thinking myself safe there neither, I got over my wall for fear of the pieces of the hill, which I expected might roll down upon me. I had no sooner stepped do ground, than I plainly saw it was a terrible earthquake, for the ground I stood on shook three times at about eight minutes’ distance, with three such shocks as would have overturned the strongest building that could be supposed to have stood on the earth; and a great piece of the top of a rock which stood about half a mile from me next the sea fell down with such a terrible noise as I never heard in all my life. I perceived also the very sea was put into violent motion by it; and I believe the shocks were stronger under the water than on the island.
Ik was hiervan zoo verbaasd, daar ik nooit in mijn leven zoo iets had gevoeld, of van gehoord had, dat ik als geheel verplet was; en de beweging van de aarde maakte mij ziek, als iemand, die zeeziek is. Het geraas van de neêrstortende rots bragt mij weder tot bezinning, en ik vreesde ieder oogenblik, dat de rots op mijne tent en al mijne goederen zou vallen en alles in eens bedelven; en dit denkbeeld deed mij schier bezwijken.
I was so much amazed with the thing itself, having never felt the like, nor discoursed with any one that had, that I was like one dead or stupefied; and the motion of the earth made my stomach sick, like one that was tossed at sea; but the noise of the falling of the rock awakened me, as it were, and rousing me from the stupefied condition I was in, filled me with horror; and I thought of nothing then but the hill falling upon my tent and all my household goods, and burying all at once; and this sunk my very soul within me a second time.
Toen de derde schok voorbij was, en ik eenigen tijd niets meer voelde, begon ik moed te scheppen, maar had toch nog het hart niet, weder over den muur te gaan, uit vrees van levende begraven te worden. Ik bleef neêrslagtig en mistroostig op den grond zitten, niet wetende wat te doen. Al dien tijd had ik niet het minste godsdienstige denkbeeld, behalve, dat ik werktuigelijk uitriep: " Heer, wees mij genadig ! " en toen het gevaar over was waren alle gedachten aan den Hemel daarbij verdwenen.
After the third shock was over, and I felt no more for some time, I began to take courage; and yet I had not heart enough to go over my wall again, for fear of being buried alive, but sat still upon the ground greatly cast down and disconsolate, not knowing what to do. All this while I had not the least serious religious thought; nothing but the common “Lord have mercy upon me!” and when it was over that went away too.
Terwijl ik aldus zat, betrok de lucht alsof het zou gaan regenen, en in minder dan een half uur blies er een allergeweldigste orkaan. De zee was plotseling met schuim bedekt, de golven sloegen over het strand, de boomen werden ontworteld; en deze verschrikkelijke storm duurde omtrent drie uren, toen begon hij te bedaren, en twee uren later was het weder kalm, en begon het geweldig te regenen. Al dien tijd zat ik op den grond, zeer beducht en neêrslagtig, toen het mij plotseling inviel, dat, daar deze wind en regen het gevolg van de aardbeving waren, deze zelve voorbij was, en ik het wagen kon in mijn kelder te gaan. Deze gedachte herlevendigde mijn moed, en de regen deed er het zijne toe, om mij over te halen, dus ging ik naar binnen, en in mijne tent; doch de regen was zoo geweldig, dat mijne tent bijkans er door neergeslagen werd, dus was ik gedwongen in mijn kelder te gaan, hetgeen ik met veel zorg en onrust deed. Deze stortbui dwong mij tot nieuwen arbeid, want ik moest onder den muur een greppel graven, om het water een afloop te geven, anders zou mijn kelder ondergeloopen hebben. Nadat ik eenigen tijd in mijn kelder doorgebragt, en geene schokken meer gevoeld had, schepte ik wat moed, en om dien te versterken, ging ik naar mijn magazijn, en nam een slok rum; hetgeen ik echter toen en naderhand altijd zeer spaarzaam deed, wetende dat ik, als deze op was, geen meer kon bekomen. Den geheelen dag en een groot deel van den nacht bleef het doorregenen, zoodat ik niet kon uitgaan; maar van mijne ontsteltenis bekomen, dacht ik na over hetgeen mij thans te doen stond. Als dit eiland aan aardbevingen onderhevig was, kon ik niet in den kelder blijven wonen; maar moest ik een hutje voor mij bouwen, dat ik ook met een muur omringen kon, en mij daardoor voor menschen en beesten beveiligen; want zoo ik bleef waar ik was, liep ik gevaar van te eeniger tijd levend begraven te worden.
While I sat thus, I found the air overcast and grow cloudy, as if it would rain. Soon after that the wind arose by little and little, so that in less than half-an-hour it blew a most dreadful hurricane; the sea was all on a sudden covered over with foam and froth; the shore was covered with the breach of the water, the trees were torn up by the roots, and a terrible storm it was. This held about three hours, and then began to abate; and in two hours more it was quite calm, and began to rain very hard. All this while I sat upon the ground very much terrified and dejected; when on a sudden it came into my thoughts, that these winds and rain being the consequences of the earthquake, the earthquake itself was spent and over, and I might venture into my cave again. With this thought my spirits began to revive; and the rain also helping to persuade me, I went in and sat down in my tent. But the rain was so violent that my tent was ready to be beaten down with it; and I was forced to go into my cave, though very much afraid and uneasy, for fear it should fall on my head. This violent rain forced me to a new work—viz. to cut a hole through my new fortification, like a sink, to let the water go out, which would else have flooded my cave. After I had been in my cave for some time, and found still no more shocks of the earthquake follow, I began to be more composed. And now, to support my spirits, which indeed wanted it very much, I went to my little store, and took a small sup of rum; which, however, I did then and always very sparingly, knowing I could have no more when that was gone. It continued raining all that night and great part of the next day, so that I could not stir abroad; but my mind being more composed, I began to think of what I had best do; concluding that if the island was subject to these earthquakes, there would be no living for me in a cave, but I must consider of building a little hut in an open place which I might surround with a wall, as I had done here, and so make myself secure from wild beasts or men; for I concluded, if I stayed where I was, I should certainly one time or other be buried alive.
Ik besloot mijne tent, die vlak tegen de rots aan stond, te verplaatsen, daar deze bij eene nieuwe aardbeving er ligtelijk op kon storten. De twee volgende dagen (19 en 20 April ) besteedde ik met te overleggen werwaarts en hoe ik mijne woning verleggen zou. De vrees van levend bedolven te worden belette mij allen gerusten slaap, en toch was ik even bevreesd, in het open veld, zonder eenige beschutting, te slapen; en wanneer ik rond zag, en alles zoo goed in orde vond, en hoe veilig ik gehuisvest en verborgen was, gevoelde ik grooten weerzin in deze plaats te verlaten. Middelerwijl kwam het mij in de gedachten, dat met dit te maken veel tijd zou verloopen, en dat ik mij er in moest schikken het gevaar te blijven loopen waar ik was, totdat ik een kamp voor mij gemaakt had en dat zoo versterkt, dat ik daarheen kon verhuizen. Ik besloot dus zoo spoedig mogelijk aan het werk te gaan, en mij een wal te maken met palen en kabeltouw, gelijk de vorige, omringd, en in het midden daarvan mijne tent op te slaan, als die voltooid was, maar tot dien tijd zou ik het wagen te blijven waar ik was. Dit was den 21sten.
With these thoughts, I resolved to remove my tent from the place where it stood, which was just under the hanging precipice of the hill; and which, if it should be shaken again, would certainly fall upon my tent; and I spent the two next days, being the 19th and 20th of April, in contriving where and how to remove my habitation. The fear of being swallowed up alive made me that I never slept in quiet; and yet the apprehension of lying abroad without any fence was almost equal to it; but still, when I looked about, and saw how everything was put in order, how pleasantly concealed I was, and how safe from danger, it made me very loath to remove. In the meantime, it occurred to me that it would require a vast deal of time for me to do this, and that I must be contented to venture where I was, till I had formed a camp for myself, and had secured it so as to remove to it. So with this resolution I composed myself for a time, and resolved that I would go to work with all speed to build me a wall with piles and cables, &c., in a circle, as before, and set my tent up in it when it was finished; but that I would venture to stay where I was till it was finished, and fit to remove. This was the 21st.
22 April. Den volgenden morgen begon ik de middelen, om dit besluit uit te voeren, te overwegen, maar ik was in groote verlegenheid om gereedschappen. Ik had drie groote bijlen en eene menigte kleine, want deze hadden wij medegenomen, om met de negers te handelen; maar door het kappen en behakken van hard hout, waren zij allen bot en vol scharen geworden. Ik had wel een slijpsteen, maar kon dien niet draaijen, en tegelijk mijn gereedschap er op slijpen. Dit kostte mij meer tijd, dan een staatsman noodig heeft om over landen en volken, of een regter om over leven en dood uitspraak te doen. Eindelijk maakte ik een wiel met een strop, dat ik met mijn voet kon draaijen, zoodat ik mijne beide handen vrij had.
_April_ 22.—The next morning I begin to consider of means to put this resolve into execution; but I was at a great loss about my tools. I had three large axes, and abundance of hatchets (for we carried the hatchets for traffic with the Indians); but with much chopping and cutting knotty hard wood, they were all full of notches, and dull; and though I had a grindstone, I could not turn it and grind my tools too. This cost me as much thought as a statesman would have bestowed upon a grand point of politics, or a judge upon the life and death of a man. At length I contrived a wheel with a string, to turn it with my foot, that I might have both my hands at liberty.
— Ik had zoo iets in Engeland nimmer gezien, of er althans nooit geen acht op geslagen; hoewel ik naderhand vond, dat zij daar zeer algemeen waren; ook was mijn slijpsteen groot en zeer zwaar. Het gereed maken van dit werktuig kostte mij eene geheele week tijd.
_Note_.—I had never seen any such thing in England, or at least, not to take notice how it was done, though since I have observed, it is very common there; besides that, my grindstone was very large and heavy. This machine cost me a full week’s work to bring it to perfection.
28, 29 April. Deze twee dagen bragt ik door met mijne gereedschappen te slijpen; mijn werktuig om den steen te draaijen ging zeer goed.
_April_ 28, 29.—These two whole days I took up in grinding my tools, my machine for turning my grindstone performing very well.
30 April. Daar ik bespeurde, dat mijn voorraad van brood sterk minderde, nam ik eens op wat er nog was, en stelde mij op rantsoen van een beschuit per dag, hetgeen mij zeer neêrslagtig maakte.
_April_ 30.—Having perceived my bread had been low a great while, now I took a survey of it, and reduced myself to one biscuit cake a day, which made my heart very heavy.
1 Mei. Toen ik dezen morgen naar zee ging, zag ik, terwijl het zeer laag water was, iets op het strand liggen. Toen ik er bij kwam vond ik een vaatje en twee of drie stukken van het wrak, die door den laatsten storm op het strand waren geslagen; en naar het wrak ziende, meende ik, dat het hooger uit het water uitstak dan anders. Ik onderzocht het vaatje, dat op strand lag, en vond dat het een kruidvaatje was, doch dat nat geworden was; het kruid was als een koek ineen gebakken, en zoo hard als steen. Ik rolde het hooger op het strand vooreerst, en ging verder op zoo digt bij het wrak als ik kon.
_May_ 1.—In the morning, looking towards the sea side, the tide being low, I saw something lie on the shore bigger than ordinary, and it looked like a cask; when I came to it, I found a small barrel, and two or three pieces of the wreck of the ship, which were driven on shore by the late hurricane; and looking towards the wreck itself, I thought it seemed to lie higher out of the water than it used to do. I examined the barrel which was driven on shore, and soon found it was a barrel of gunpowder; but it had taken water, and the powder was caked as hard as a stone; however, I rolled it farther on shore for the present, and went on upon the sands, as near as I could to the wreck of the ship, to look for more.
CHAPTER VI—ILL AND CONSCIENCE-STRICKEN
Toen ik bij het schip kwam vond ik het geheel verplaatst; het voorschip, dat vroeger in het zand begraven lag, was ten minste zes voet opgebeurd, en het achterschip, dat door de woede der golven aan stukken geslagen en van het overige als het ware afgerukt was geworden, kort na mijne laatste reis derwaarts, was opgeheven en op zijde geworpen, en het zand was aan dien kant bij den spiegel zoo hoog opgeworpen, dat ik er thans bij laag water naar toe kon wandelen. In het eerst stond ik hierover verbaasd, maar weldra begreep ik, dat het door de aardbeving moest geschied zijn, en daar thans het schip meer dan te voren opengeslagen was, kwamen er dagelijks vele dingen aan strand spoelen, die de zee lossloeg en door de wind en golven op het strand geworpen werden.
When I came down to the ship I found it strangely removed. The forecastle, which lay before buried in sand, was heaved up at least six feet, and the stern, which was broke in pieces and parted from the rest by the force of the sea, soon after I had left rummaging her, was tossed as it were up, and cast on one side; and the sand was thrown so high on that side next her stern, that whereas there was a great place of water before, so that I could not come within a quarter of a mile of the wreck without swimming I could now walk quite up to her when the tide was out. I was surprised with this at first, but soon concluded it must be done by the earthquake; and as by this violence the ship was more broke open than formerly, so many things came daily on shore, which the sea had loosened, and which the winds and water rolled by degrees to the land.
Dit bragt mij weder alle denkbeeld aan verhuizen uit het hoofd, en ik hield mij ijverig, vooral dien dag, bezig, met te zien of ik ook op eenigerlei wijze in het schip kon komen; doch ik vond dat dit niet ging, daar het vol zand was. Daar ik echter geleerd had niets op te geven, besloot ik van het schip te slopen wat ik kon, overtuigd, dat alles mij op eene of andere wijze van nut kon zijn.
This wholly diverted my thoughts from the design of removing my habitation, and I busied myself mightily, that day especially, in searching whether I could make any way into the ship; but I found nothing was to be expected of that kind, for all the inside of the ship was choked up with sand. However, as I had learned not to despair of anything, I resolved to pull everything to pieces that I could of the ship, concluding that everything I could get from her would be of some use or other to me.
3 Mei. Ik ging aan het visschen, maar vong geen een visch, dien ik eten dorst, tot juist toen ik er wilde uitscheiden, daar het mij verdroot, ik een jongen dolfijn ving. Ik had eene lange lijn van dun touw gemaakt, maar had geen hoeken; ik ving echter dikwijls veel visch; althans zoo veel als ik lustte; die ik allen in de zon droogde, en gedroogd at.
_May_ 3.—I began with my saw, and cut a piece of a beam through, which I thought held some of the upper part or quarter-deck together, and when I had cut it through, I cleared away the sand as well as I could from the side which lay highest; but the tide coming in, I was obliged to give over for that time.
4 Mei. Ik begon met mijne zaag een balk door te zagen, die ik mij verbeeldde, dat een deel van het halfdek bijeenhield; en toen hij doorgezaagd was, ruimde ik zoo veel ik kon het zand weg van den kant, die het hoogst lag, maar toen de vloed doorkwam, was ik verpligt dit werk voor ' s hands te staken.
_May_ 4.—I went a-fishing, but caught not one fish that I durst eat of, till I was weary of my sport; when, just going to leave off, I caught a young dolphin. I had made me a long line of some rope-yarn, but I had no hooks; yet I frequently caught fish enough, as much as I cared to eat; all which I dried in the sun, and ate them dry.
5 Mei. Op het wrak gewerkt, een anderen balk doorgezaagd, en drie groote planken van het dek gesloopt, die ik vastbond en met den vloed naar wal liet drijven.
_May_ 5.—Worked on the wreck; cut another beam asunder, and brought three great fir planks off from the decks, which I tied together, and made to float on shore when the tide of flood came on.
6 Mei. Op het wrak gewerkt, verscheidene ijzeren bouten en ander ijzerwerk er af gebragt; zeer hard gewerkt en doodmoede te huis gekomen, met veel lust het werk te staken.
_May_ 6.—Worked on the wreck; got several iron bolts out of her and other pieces of ironwork. Worked very hard, and came home very much tired, and had thoughts of giving it over.
7 Mei. Weder naar het wrak gegaan, maar met oogmerk er niet te werken. Ik vond dat het schip door zijne eigene zwaarte zich begeven had, de balken waren gebroken en verscheidene stukken van het schip schenen los te liggen; en de binnenzijde van het ruim lag zoo open, dat ik er in zien kon; het was schier geheel vol met water en zand.
_May_ 7.—Went to the wreck again, not with an intent to work, but found the weight of the wreck had broke itself down, the beams being cut; that several pieces of the ship seemed to lie loose, and the inside of the hold lay so open that I could see into it; but it was almost full of water and sand.
8 Mei. Ik ging weder naar het wrak en nam een ijzeren koevoet mede, om het dek op te breken, dat nu geheel vrij van water en zand lag. Ik werkte twee planken er af en bragt die met den vloed naar den wal. Ik liet den koevoet op het wrak achter tot den volgenden dag.
_May_ 8.—Went to the wreck, and carried an iron crow to wrench up the deck, which lay now quite clear of the water or sand. I wrenched open two planks, and brought them on shore also with the tide. I left the iron crow in the wreck for next day.
9 Mei. Ik maakte met den koevoet eene opening naar het ruim, en vond verscheidene vaten, die ik los werkte, maar kon ze niet openbreken. Ook vond ik eene rol Engelsen lood, maar dit was te zwaar voor mij, om het op te heffen.
_May_ 9.—Went to the wreck, and with the crow made way into the body of the wreck, and felt several casks, and loosened them with the crow, but could not break them up. I felt also a roll of English lead, and could stir it, but it was too heavy to remove.
10, 11, 12, 13, 14 Mei. Ik ging alle dagen naar het wrak, en haalde er vele stukken hout en planken af, en wel twee- of driehonderd [ lb = gewicht ] ijzer.
_May_ 10–14.—Went every day to the wreck; and got a great many pieces of timber, and boards, or plank, and two or three hundredweight of iron.
15 Mei. Ik ging met twee kleine bijlen naar het wrak en beproefde of ik geen stuk van het lood kon afkappen, door de eene bijl als eene wig te gebruiken, maar daar het lood anderhalf voet onder water lag, kon ik er niet genoeg bijkomen.
_May_ 15.—I carried two hatchets, to try if I could not cut a piece off the roll of lead by placing the edge of one hatchet and driving it with the other; but as it lay about a foot and a half in the water, I could not make any blow to drive the hatchet.
16 Mei. Het had ' s nachts hard gewaaid, en het wrak scheen door de golven meer gebroken te zijn; maar ik was zoo lang in het bosch geweest om duiven te schieten, dat het getij mij dien dag belette aan boord te gaan.
_May_ 16.—It had blown hard in the night, and the wreck appeared more broken by the force of the water; but I stayed so long in the woods, to get pigeons for food, that the tide prevented my going to the wreck that day.
17 Mei. Ik zag eenige stukken van het wrak, die op een half uur afstands, door den wind op het strand waren gedreven; ik ging er heen, maar vond dat het een stuk van den kop was, maar te zwaar voor mij om het te huis te brengen.
_May_ 17.—I saw some pieces of the wreck blown on shore, at a great distance, near two miles off me, but resolved to see what they were, and found it was a piece of the head, but too heavy for me to bring away.
24 Mei. Alle dagen tot heden op het wrak gewerkt, en met zwaren arbeid eenige dingen zoo verre losgewerkt met den koevoet, dat met hoog water eenige vaten en twee matrozenkisten er uit spoelden, maar daar de wind van het land blies, kwam er dien dag niets aan strand spoelen dan eenig brandhout, en een okshoofd met eenig spek, doch het zeewater en het zand hadden het onbruikbaar gemaakt. Ik hield met dit werk aan tot den 15 Junij, uitgezonderd den tijd dien ik dagelijks er af nam, om mijn voedsel op te sporen, bij hoog water, ten einde altijd gereed te zijn als het afgeloopen was. Ik had thans rondhouten, planken en ijzerwerk genoeg bijeen, om eene goede boot te bouwen, als ik maar geweten had, hoe; ook had ik op verschillende tijden bijkans honderd pond van de rol lood afgehaald.
_May_ 24.—Every day, to this day, I worked on the wreck; and with hard labour I loosened some things so much with the crow, that the first flowing tide several casks floated out, and two of the seamen’s chests; but the wind blowing from the shore, nothing came to land that day but pieces of timber, and a hogshead, which had some Brazil pork in it; but the salt water and the sand had spoiled it. I continued this work every day to the 15th of June, except the time necessary to get food, which I always appointed, during this part of my employment, to be when the tide was up, that I might be ready when it was ebbed out; and by this time I had got timber and plank and ironwork enough to have built a good boat, if I had known how; and also I got, at several times and in several pieces, near one hundredweight of the sheet lead.
16 Junij. Naar den zeekant gaande vond ik eene groote schildpad; dit was de eerste dien ik gezien had, hetgeen echter niet uit hare schaarschheid voortsproot, want ware ik aan de andere zijde van het eiland geweest, dan had ik ze bij honderden kunnen vinden, gelijk naderhand bleek, doch ze dan misschien duur genoeg moeten betalen.
_June_ 16.—Going down to the seaside, I found a large tortoise or turtle. This was the first I had seen, which, it seems, was only my misfortune, not any defect of the place, or scarcity; for had I happened to be on the other side of the island, I might have had hundreds of them every day, as I found afterwards; but perhaps had paid dear enough for them.
17 Junij. Bragt ik door in het koken van de schildpad. Ik vond er zestig eijeren in, en haar vleesch scheen mij het geurigste en lekkerste dat ik ooit geproefd had; en geen wonder, daar ik sedert mijne komst op dit akelig eiland slechts geitenvleesch en vogels geproefd had.
_June_ 17.—I spent in cooking the turtle. I found in her three-score eggs; and her flesh was to me, at that time, the most savoury and pleasant that ever I tasted in my life, having had no flesh, but of goats and fowls, since I landed in this horrid place.
18 Junij. Het regende den geheelen dag en ik bleef binnen ' s huis. Mij dacht, dat de regen koud nederviel, en ik was eenigzins huiverig, hetgeen ik wist dat op deze breedte ongewoon is.
_June_ 18.—Rained all day, and I stayed within. I thought at this time the rain felt cold, and I was something chilly; which I knew was not usual in that latitude.
19 Junij. Ik was zeer ongesteld en huiverig, alsof het koud weder was.
_June_ 19.—Very ill, and shivering, as if the weather had been cold.
20 Junij. Den geheelen nacht niet geslapen, zware pijn in het hoofd en koortsig.
_June_ 20.—No rest all night; violent pains in my head, and feverish.
21 Junij. Zeer ziek, en doodsangst uitstaande over mijn jammerlijken toestand, ziek te zijn zonder hulp. Ik bad tot God de eerste maal sedert den storm voor Hull; maar wist naauwelijks wat ik zeide, daar mijne denkbeelden geheel verward waren.
_June_ 21.—Very ill; frighted almost to death with the apprehensions of my sad condition—to be sick, and no help. Prayed to God, for the first time since the storm off Hull, but scarce knew what I said, or why, my thoughts being all confused.
22 Junij. Een weinig beter, maar vreesselijk beangst.
_June_ 22.—A little better; but under dreadful apprehensions of sickness.
23 Junij. Weder erger, koud en huiverig met geweldige hoofdpijn.
_June_ 23.—Very bad again; cold and shivering, and then a violent headache.
24 Junij. Veel beter.
_June_ 24.—Much better.
25 Junij. Zeer zware koorts, heet en koud, die zeven uren achtereen duurde, en van eenig zweet gevolgd werd.
_June_ 25.—An ague very violent; the fit held me seven hours; cold fit and hot, with faint sweats after it.
26 Junij. Ik gevoelde mij beter, en daar ik niets te eten had, nam ik mijn geweer, maar vond dat ik zeer zwak was. Ik schoot echter eene geit en bragt die met veel moeite te huis, braadde er een stukje van en at dat op. Ik had er gaarne wat vleeschnat van willen koken, maar ik had geen pot.
_June_ 26.—Better; and having no victuals to eat, took my gun, but found myself very weak. However, I killed a she-goat, and with much difficulty got it home, and broiled some of it, and ate, I would fain have stewed it, and made some broth, but had no pot.
27 Junij. De koorts was weder zoo hevig, dat ik den geheelen dag liggen bleef, zonder te eten of te drinken. Ik stierf schier van dorst, maar was te zwak om op te staan en water te halen. Ik bad weder tot God, maar was bedwelmd van hoofd, en als dit niet het geval was, was ik toch zoo onwetend, dat ik niet wist wat ik zeggen zou, en niet anders riep dan: " Heere, wees mij genadig, Heere, heb medelijden met mij ! " Ik geloof dat ik twee of drie uren lang niets anders deed, tot ik bij het afgaan der koorts in slaap viel, en eerst laat in den nacht wakker werd. Toen ik ontwaakte bevond ik mij veel verkwikt, maar zwak en zeer dorstig; daar ik echter geen water in mijn verblijf had, was ik verpligt tot den morgenstond te wachten, en viel weder in slaap. In dezen slaap had ik den volgenden verschrikkelijken droom. Ik verbeeldde mij dat ik op den grond zat, buiten mijn wal, waar ik na de aardbeving, gedurende den storm gezeten had, en dat ik een man, uit eene groote zwarte wolk, in eene heldere vuurvlam zag nederdalen. Hij was geheel en al zoo schitterend als eene vlam, zoo dat ik naauwelijks op hem zien kon; zijn gelaat was ontzaggelijker, dan woorden kunnen uitdrukken; toen hij met zijnen voet op den grond trad, dreunde deze, even als bij de aardbeving, en de geheele lucht scheen als met vuurvlammen bezet. Toen hij op den grond stond trad hij naar mij toe, met een speer of dergelijk wapen in de hand, als om mij te dooden, en toen hij op eenigen afstand van mij op eene hoogte stond, sprak hij tot mij, of hoorde ik eene zoo ontzaggelijke stem, welks vreesselijkheid niet te beschrijven is, tot mij zeggen: " Dewijl al deze dingen u niet tot berouw verwekt hebben, zult gij sterven ! " Bij deze woorden meende ik, dat hij de speer, die hij in de hand hield, ophief, als om mij te dooden.
_June_ 27.—The ague again so violent that I lay a-bed all day, and neither ate nor drank. I was ready to perish for thirst; but so weak, I had not strength to stand up, or to get myself any water to drink. Prayed to God again, but was light-headed; and when I was not, I was so ignorant that I knew not what to say; only I lay and cried, “Lord, look upon me! Lord, pity me! Lord, have mercy upon me!” I suppose I did nothing else for two or three hours; till, the fit wearing off, I fell asleep, and did not wake till far in the night. When I awoke, I found myself much refreshed, but weak, and exceeding thirsty. However, as I had no water in my habitation, I was forced to lie till morning, and went to sleep again. In this second sleep I had this terrible dream: I thought that I was sitting on the ground, on the outside of my wall, where I sat when the storm blew after the earthquake, and that I saw a man descend from a great black cloud, in a bright flame of fire, and light upon the ground. He was all over as bright as a flame, so that I could but just bear to look towards him; his countenance was most inexpressibly dreadful, impossible for words to describe. When he stepped upon the ground with his feet, I thought the earth trembled, just as it had done before in the earthquake, and all the air looked, to my apprehension, as if it had been filled with flashes of fire. He was no sooner landed upon the earth, but he moved forward towards me, with a long spear or weapon in his hand, to kill me; and when he came to a rising ground, at some distance, he spoke to me—or I heard a voice so terrible that it is impossible to express the terror of it. All that I can say I understood was this: “Seeing all these things have not brought thee to repentance, now thou shalt die;” at which words, I thought he lifted up the spear that was in his hand to kill me.
Ik zal niet trachten den schrik te beschrijven, dien dit verschrikkelijk gezigt in mijne ziel verwekte. Zelfs toen ik droomde, verwonderde ik mij over mijn eigen angst; en evenmin kon ik den indruk beschrijven, dien mij bijbleef, toen ik wakker geworden zijnde, ontdekte dat het slechts een droom was.
No one that shall ever read this account will expect that I should be able to describe the horrors of my soul at this terrible vision. I mean, that even while it was a dream, I even dreamed of those horrors. Nor is it any more possible to describe the impression that remained upon my mind when I awaked, and found it was but a dream.
Ik had, helaas, geenerlei godsdienstige kennis; die welke ik uit het onderrigt mijns vaders verkregen had, was door een omgang van acht jaren met ruwe en losbandige zeelieden geheel uitgewischt geworden. Ik herinner mij niet, dat ik in al dien tijd eenige gedachte tot God gerigt, of over het gepaste mijner handelingen nagedacht had. Eene zekere dofheid van geest, zonder verlangen naar het goede, zonder bewustheid van het kwade, had mij geheel overmeesterd, en ik was een van de verhardste, meest gedachtenlooze en bedorvene wezens die men onder de matrozen kan ontmoeten, die niet het minste gevoel der vreeze Gods had, in gevaren, of van dankbaarheid jegens hem, bij hunne redding uit dezelve.
I had, alas! no divine knowledge. What I had received by the good instruction of my father was then worn out by an uninterrupted series, for eight years, of seafaring wickedness, and a constant conversation with none but such as were, like myself, wicked and profane to the last degree. I do not remember that I had, in all that time, one thought that so much as tended either to looking upwards towards God, or inwards towards a reflection upon my own ways; but a certain stupidity of soul, without desire of good, or conscience of evil, had entirely overwhelmed me; and I was all that the most hardened, unthinking, wicked creature among our common sailors can be supposed to be; not having the least sense, either of the fear of God in danger, or of thankfulness to God in deliverance.
Dit zal men te ligter gelooven, als ik bij het verhaal mijner vorige lotgevallen bijvoeg, dat ik bij al de reeks van ongelukken, die mij tot op dezen dag getroffen hadden, nimmer een enkel oogenblik gedacht had, dat hierin Gods hand was, of dat zij eene regtmatige straf waren voor mijn ongehoorzaam gedrag jegens mijn vader, of mijne latere overtredingen, die zeer groot waren. Toen ik dien wanhopigen togt deed langs de Afrikaansche kust, had ik nimmer een oogenblik gedacht wat er van mij worden zou, of eenmaal van God gebeden mij te geleiden, of mij voor het gevaar te behoeden, dat mij zoo blijkbaar omringde van verscheurende dieren en onbeschaafde volken; ik dacht volstrekt niet aan Gods voorzienigheid, maar handelde als een dier, dat alleen door zucht tot zelfbehoud gedreven wordt. Toen ik op zee door den Portugeschen kapitein gered en opgenomen, goed verzorgd, billijk en liefderijk behandeld werd; gevoelde ik niet de minste dankbaarheid jegens God; en toen ik op nieuw schipbreuk leed, en uit de kaken des doods gered, op dit eiland werd geworpen, was ik ver af van eenige wroeging, of van dit als eene straf des Hemels te beschouwen; alleen zeide ik dikwijls tot mijzelven, dat ik een rampspoedig mensch en tot het ongeluk geboren was.
In the relating what is already past of my story, this will be the more easily believed when I shall add, that through all the variety of miseries that had to this day befallen me, I never had so much as one thought of it being the hand of God, or that it was a just punishment for my sin—my rebellious behaviour against my father—or my present sins, which were great—or so much as a punishment for the general course of my wicked life. When I was on the desperate expedition on the desert shores of Africa, I never had so much as one thought of what would become of me, or one wish to God to direct me whither I should go, or to keep me from the danger which apparently surrounded me, as well from voracious creatures as cruel savages. But I was merely thoughtless of a God or a Providence, acted like a mere brute, from the principles of nature, and by the dictates of common sense only, and, indeed, hardly that. When I was delivered and taken up at sea by the Portugal captain, well used, and dealt justly and honourably with, as well as charitably, I had not the least thankfulness in my thoughts. When, again, I was shipwrecked, ruined, and in danger of drowning on this island, I was as far from remorse, or looking on it as a judgment. I only said to myself often, that I was an unfortunate dog, and born to be always miserable.
Wel is waar, toen ik hier het eerst aan land kwam, al mijne scheepsmakkers verdronken en mij alleen gered vond, geraakte ik in eene soort van verrukking, die onder Gods genade, tot ware dankbaarheid had kunnen aangroeijen; maar het bleef bij eene gewone opwelling van vreugde. Ik was blijde dat ik gered was, zonder acht te geven op de goedheid van de hand Gods, die mij bewaard en uitverkoren had om gered te worden, terwijl al de overigen vergaan waren, noch na te denken waarom de Voorzienigheid zoo barmhartig jegens mij geweest was. Het bleef bij die vreugde, die zeelieden dikwijls hebben als zij behouden van eene schipbreuk aan land komen; die zij verdrinken in een kom punsch, en die gelijk met dezelve eindigt. Zelfs toen ik naderhand mijn toestand ernstig overwoog, hoe ik op dit akelig verblijf buiten allen menschelijken bijstand, buiten alle hoop op bevrijding mij bevond; was al mijne neêrslagtigheid voorbij, zoodra ik de waarschijnlijkheid inzag, dat ik niet van honger zou sterven; en ik begon zeer welgemoed aan den arbeid, die tot mijn behoud en voedsel noodig was, en dacht er niet aan mijn toestand als eene straf des Hemels te beschouwen; deze gedachten kwamen zelden bij mij op.
It is true, when I got on shore first here, and found all my ship’s crew drowned and myself spared, I was surprised with a kind of ecstasy, and some transports of soul, which, had the grace of God assisted, might have come up to true thankfulness; but it ended where it began, in a mere common flight of joy, or, as I may say, being glad I was alive, without the least reflection upon the distinguished goodness of the hand which had preserved me, and had singled me out to be preserved when all the rest were destroyed, or an inquiry why Providence had been thus merciful unto me. Even just the same common sort of joy which seamen generally have, after they are got safe ashore from a shipwreck, which they drown all in the next bowl of punch, and forget almost as soon as it is over; and all the rest of my life was like it. Even when I was afterwards, on due consideration, made sensible of my condition, how I was cast on this dreadful place, out of the reach of human kind, out of all hope of relief, or prospect of redemption, as soon as I saw but a prospect of living and that I should not starve and perish for hunger, all the sense of my affliction wore off; and I began to be very easy, applied myself to the works proper for my preservation and supply, and was far enough from being afflicted at my condition, as a judgment from heaven, or as the hand of God against me: these were thoughts which very seldom entered my head.
Het opschieten van het graan, gelijk ik in mijn journaal gemeld heb, maakte in het eerst eenigen indruk op mij, en bragt mij tot ernstige nagedachten, zoo lang ik dacht, dat hierin iets wonderdadigs lag. Maar zoodra dit denkbeeld verdwenen was, ging ook die indruk, gelijk ik zeide, geheel verloren. Zelfs de aardbeving, dat verschrikkelijke natuurverschijnsel, dat zoo onmiddellijk aan eene onzigtbare magt doet denken, bragt, nadat de eerste schrik voorbij was, geen blijvenden indruk te weeg. Ik dacht evenmin aan God en zijne oordeelen, veel minder, dat mijn tegenwoordige toestand van zijne hand kwam, dan of ik mij in den voorspoedigsten staat mijns levens bevonden had. Maar nu ik ziek werd, en langzamerhand de dood met al zijne verschrikkingen, zich voor mijne oogen vertoonde; nu mijn moed door eene zware ongesteldheid vernietigd werd, en de natuur door de hevigheid der koorts uitgeput was; begon mijn geweten, dat zoo lang gesluimerd had, te ontwaken. Ik verweet mij mijn vorig leven, dat mij zoo blijkbaar de straffende hand Gods op den hals had gehaald. Deze overwegingen kwelden mij van den tweeden of derden dag mijner ziekte, en zoo wel de hevigheid der koorts als de strenge berispingen van mijn geweten persten mij eenige biddende woorden af, schoon het geen eigenlijk gebed, maar slechts klanken waren, door droefheid en angst mij ontwrongen. Mijne gedachten waren verward, en de angst van in zulk een rampzaligen toestand te sterven deed mij beven; ik wist niet wat ik zeide, doch het waren uitroepen, als: " Hemel, wat ben ik rampzalig; ik zal gewis van gebrek aan bijstand sterven als ik ziek worde ! Wat zal er van mij worden ? " De tranen stroomden uit mijne oogen, en ik bleef eenigen tijd zonder te kunnen spreken. Thans kwamen mij de goede raadgevingen mijns vaders in de gedachten, en vervolgens zijne voorspelling, die ik in het begin van mijne geschiedenis vermeld heb, namelijk, dat als ik dezen dwazen stap deed, God mij niet zegenen zoude, en ik nog lang berouw zou hebben, dat ik zijn raad in den wind geslagen had, als er niemand was om mij te helpen dien te herstellen. Nu, zeide ik luid, zijn mijns vaders woorden vervuld, Gods geregtigheid heeft mij bereikt, en niemand is er die mij hoort of helpt. Ik weigerde naar de stem der Voorzienigheid te hooren, die mij in een toestand geplaatst had, waarin ik een gelukkig en kalm leven had kunnen leiden; maar ik wilde dit niet erkennen; noch deszelfs zegeningen van mijn vader leeren. Ik liet hen mijne dwaasheden betreuren, en thans moet ik derzelver gevolgen beweenen. Ik weigerde de hulp mijner verwanten, die mij gemakkelijk door de wereld hadden kunnen helpen, en nu moet ik moeijelijkheden overwinnen, waartegen menschelijke kracht niet opgewassen is, zonder hulp, zonder bijstand, zonder raad, zonder troost. Hier riep ik uit: " Heere, wees mij ter hulpe, want mijn jammer is groot ! " Dit was, mag ik zeggen, het eerste gebed, dat sedert jaren over mijne lippen kwam. — Doch ik keer tot mijn journaal terug.
The growing up of the corn, as is hinted in my Journal, had at first some little influence upon me, and began to affect me with seriousness, as long as I thought it had something miraculous in it; but as soon as ever that part of the thought was removed, all the impression that was raised from it wore off also, as I have noted already. Even the earthquake, though nothing could be more terrible in its nature, or more immediately directing to the invisible Power which alone directs such things, yet no sooner was the first fright over, but the impression it had made went off also. I had no more sense of God or His judgments—much less of the present affliction of my circumstances being from His hand—than if I had been in the most prosperous condition of life. But now, when I began to be sick, and a leisurely view of the miseries of death came to place itself before me; when my spirits began to sink under the burden of a strong distemper, and nature was exhausted with the violence of the fever; conscience, that had slept so long, began to awake, and I began to reproach myself with my past life, in which I had so evidently, by uncommon wickedness, provoked the justice of God to lay me under uncommon strokes, and to deal with me in so vindictive a manner. These reflections oppressed me for the second or third day of my distemper; and in the violence, as well of the fever as of the dreadful reproaches of my conscience, extorted some words from me like praying to God, though I cannot say they were either a prayer attended with desires or with hopes: it was rather the voice of mere fright and distress. My thoughts were confused, the convictions great upon my mind, and the horror of dying in such a miserable condition raised vapours into my head with the mere apprehensions; and in these hurries of my soul I knew not what my tongue might express. But it was rather exclamation, such as, “Lord, what a miserable creature am I! If I should be sick, I shall certainly die for want of help; and what will become of me!” Then the tears burst out of my eyes, and I could say no more for a good while. In this interval the good advice of my father came to my mind, and presently his prediction, which I mentioned at the beginning of this story—viz. that if I did take this foolish step, God would not bless me, and I would have leisure hereafter to reflect upon having neglected his counsel when there might be none to assist in my recovery. “Now,” said I, aloud, “my dear father’s words are come to pass; God’s justice has overtaken me, and I have none to help or hear me. I rejected the voice of Providence, which had mercifully put me in a posture or station of life wherein I might have been happy and easy; but I would neither see it myself nor learn to know the blessing of it from my parents. I left them to mourn over my folly, and now I am left to mourn under the consequences of it. I abused their help and assistance, who would have lifted me in the world, and would have made everything easy to me; and now I have difficulties to struggle with, too great for even nature itself to support, and no assistance, no help, no comfort, no advice.” Then I cried out, “Lord, be my help, for I am in great distress.” This was the first prayer, if I may call it so, that I had made for many years. But to return to my Journal.
28 Junij. Een weinig verfrischt door den slaap, en geheel zonder koorts stond ik op; en schoon de angst en schrik van mijn droom nog zeer groot waren, bedacht ik toch, dat ik zeker morgen weder een aanval van de koorts zou hebben, en het nu de tijd was mij eenige verkwikking tegen dien tijd te bezorgen. Het eerste wat ik deed was eene groote kelderflesch vol met water te vullen en op de tafel te zetten, zoo dat ik die uit mijn bed bereiken kon, en om de koude van het water weg te nemen, goot ik er ongeveer een kwart pint rum bij; daarop nam ik een stuk geitenvleesch en braadde dit, maar ik kon er slechts weinig van eten. Ik ging naar buiten, maar was zeer zwak en neêrslagtig en kon naauwelijks mijn geweer dragen, zonder hetwelk ik nimmer uitging. Ik liep dus niet ver, maar ging op eene hoogte zitten, en zag naar de zee, die kalm en effen voor mij lag. Terwijl ik hier zat kwamen de volgende denkbeelden bij mij op. Wat is deze aarde en zee waarvan ik zoo veel gezien heb ? Vanwaar is zij ontstaan ? En wat ben ik en alle schepselen, menschen en beesten ? Vanwaar zijn zij gekomen ? Ongetwijfeld zijn zij het werk van die Magt, die de aarde en het water, de lucht en den hemel heeft gemaakt, en wie is dat ? Natuurlijk was het antwoord: het is God, die dit alles gemaakt heeft. Maar dan is het ook zeker, dat als God dit alles gemaakt heeft, Hij het ook bestiert en leidt, want wie alles kan maken, kan het ook regelen en bestieren. En dan gebeurt er ook niets in den geheelen omkring zijner werken, zonder dat hij het weet of gebiedt.
_June_ 28.—Having been somewhat refreshed with the sleep I had had, and the fit being entirely off, I got up; and though the fright and terror of my dream was very great, yet I considered that the fit of the ague would return again the next day, and now was my time to get something to refresh and support myself when I should be ill; and the first thing I did, I filled a large square case-bottle with water, and set it upon my table, in reach of my bed; and to take off the chill or aguish disposition of the water, I put about a quarter of a pint of rum into it, and mixed them together. Then I got me a piece of the goat’s flesh and broiled it on the coals, but could eat very little. I walked about, but was very weak, and withal very sad and heavy-hearted under a sense of my miserable condition, dreading, the return of my distemper the next day. At night I made my supper of three of the turtle’s eggs, which I roasted in the ashes, and ate, as we call it, in the shell, and this was the first bit of meat I had ever asked God’s blessing to, that I could remember, in my whole life. After I had eaten I tried to walk, but found myself so weak that I could hardly carry a gun, for I never went out without that; so I went but a little way, and sat down upon the ground, looking out upon the sea, which was just before me, and very calm and smooth. As I sat here some such thoughts as these occurred to me: What is this earth and sea, of which I have seen so much? Whence is it produced? And what am I, and all the other creatures wild and tame, human and brutal? Whence are we? Sure we are all made by some secret Power, who formed the earth and sea, the air and sky. And who is that? Then it followed most naturally, it is God that has made all. Well, but then it came on strangely, if God has made all these things, He guides and governs them all, and all things that concern them; for the Power that could make all things must certainly have power to guide and direct them. If so, nothing can happen in the great circuit of His works, either without His knowledge or appointment.
En dan weet Hij ook dat ik hier, in dezen akeligen toestand ben, en zoo niets buiten zijn wil geschiedt, dan was het zijn wil, dat mij dit gebeuren zou. Niets bood zich aan mijn geest aan, dat een dezer gevolgtrekkingen logenstrafte, en dus bleef ik overtuigd, dat het Gods wil was, dat mij dit alles zou overkomen; dat ik door zijne leiding in dezen ellendigen toestand was gebragt; daar Hij alleen alles in de wereld beschikt. Nu volgde dadelijk de vraag: Waarom heeft God mij aldus behandeld ? Wat heb ik gedaan, dat mij dit treft ? Mijn geweten kwam dadelijk op tegen deze vraag, als ware zij eene lastering, en ik meende eene inwendige stem te hooren, die mij zeide: " Rampzalige, vraagt gij wat gij gedaan hebt, Zie terug op uw vorig leven, en vraag u zelven wat gij niet gedaan hebt. Vraag waarom gij niet reeds voor lang vernietigd zijt ? Waarom zijt gij niet op de reede van Yarmouth verdronken ? gedood in het gevecht met den kaper van Salé ? door de wilde dieren op de Afrikaansche kust verscheurd ? of hier verdronken, toen al het scheepsvolk, buiten u, verging ? Vraagt gij nog, wat gij gedaan hebt ? " Deze overwegingen verbijsterden mij geheel en al, en ik kon mij zelven geen woord antwoorden, maar ging treurig en peinzende naar huis, en over den muur, met oogmerk te bed te gaan; maar mijn hoofd was vol, ik had geen lust tot slapen; dus ging ik op mijn stoel zitten en stak mijne lamp op, want het begon donker te worden. Daar ik nu zeer bevreesd was voor de terugkomst van de koorts, schoot het mij in de gedachten, dat men in Brazilië schier geene andere geneesmiddelen dan tabak gebruikt, en ik had eene rol tabak in een der kisten, die goed droog en rijp was, en eene die groen en niet geheel rijp was.
And if nothing happens without His knowledge, He knows that I am here, and am in this dreadful condition; and if nothing happens without His appointment, He has appointed all this to befall me. Nothing occurred to my thought to contradict any of these conclusions, and therefore it rested upon me with the greater force, that it must needs be that God had appointed all this to befall me; that I was brought into this miserable circumstance by His direction, He having the sole power, not of me only, but of everything that happened in the world. Immediately it followed: Why has God done this to me? What have I done to be thus used? My conscience presently checked me in that inquiry, as if I had blasphemed, and methought it spoke to me like a voice: “Wretch! dost _thou_ ask what thou hast done? Look back upon a dreadful misspent life, and ask thyself what thou hast _not_ done? Ask, why is it that thou wert not long ago destroyed? Why wert thou not drowned in Yarmouth Roads; killed in the fight when the ship was taken by the Sallee man-of-war; devoured by the wild beasts on the coast of Africa; or drowned _here_, when all the crew perished but thyself? Dost _thou_ ask, what have I done?” I was struck dumb with these reflections, as one astonished, and had not a word to say—no, not to answer to myself, but rose up pensive and sad, walked back to my retreat, and went up over my wall, as if I had been going to bed; but my thoughts were sadly disturbed, and I had no inclination to sleep; so I sat down in my chair, and lighted my lamp, for it began to be dark. Now, as the apprehension of the return of my distemper terrified me very much, it occurred to my thought that the Brazilians take no physic but their tobacco for almost all distempers, and I had a piece of a roll of tobacco in one of the chests, which was quite cured, and some also that was green, and not quite cured.
Ongetwijfeld gaf de Hemel mij dit in, want in deze kist vond ik een geneesmiddel voor de ziel zoo wel als voor het ligchaam. Ik opende de kist en vond wat ik zocht, namelijk den tabak, en daar de weinige boeken, die ik gered had, daar ook bij lagen, nam ik een van de bijbels, waarvan ik vroeger gesproken heb, en die ik tot hiertoe tijd noch lust gehad had, in te zien, en legde dezen met den tabak op de tafel. Hoe ik den tabak gebruiken zou tegen mijne ziekte, wist ik niet, en evenmin of hij goed voor mij was of niet; maar ik besloot dien op verschillende wijzen te gebruiken, ten einde het een of het ander mij helpen zou. Eerst nam ik een stuk en kaauwde dit, hetgeen mij eenigzins bedwelmde, daar de tabak zwaar en ik er niet zeer aan gewoon was; daarop nam ik eenigen en weekte dien een paar uren in rum, en besloot daar wat van te nemen als ik slapen ging, eindelijk brandde ik wat op kolen en hield mijn neus daarover, zoo lang ik het uithouden kon.
I went, directed by Heaven no doubt; for in this chest I found a cure both for soul and body. I opened the chest, and found what I looked for, the tobacco; and as the few books I had saved lay there too, I took out one of the Bibles which I mentioned before, and which to this time I had not found leisure or inclination to look into. I say, I took it out, and brought both that and the tobacco with me to the table. What use to make of the tobacco I knew not, in my distemper, or whether it was good for it or no: but I tried several experiments with it, as if I was resolved it should hit one way or other. I first took a piece of leaf, and chewed it in my mouth, which, indeed, at first almost stupefied my brain, the tobacco being green and strong, and that I had not been much used to. Then I took some and steeped it an hour or two in some rum, and resolved to take a dose of it when I lay down; and lastly, I burnt some upon a pan of coals, and held my nose close over the smoke of it as long as I could bear it, as well for the heat as almost for suffocation.
Middelerwijl sloeg ik den bijbel open en trachtte te lezen, maar mijn hoofd was hiervoor thans te veel bedwelmd door den tabak, echter toen ik het boek liet openvallen, waren de eerste woorden daar mijn oog op viel, deze: " Roep mij aan in den dag der benaauwing, en ik zal u redden en gij zult mijn naam prijzen. " Deze woorden waren zeer gepast op mijnen toestand, en maakten toen indruk op mij, schoon zoo sterk niet als naderhand; want het woord bevrijding had voor mij geen zin als het ware; dit scheen mij zoo onwaarschijnlijk, zoo onmogelijk, dat ik begon te zeggen even als de kinderen Israëls, toen hun vleesch beloofd was: vanwaar zou dit komen ? En daar vele jaren geenerlei hoop zich opdeed, kwam mij dit dikwijls in de gedachten. Het werd nu laat, en de tabak had, gelijk ik zeide, mijn hoofd zoo bedwelmd, dat ik slaperig werd, ik liet dan mijne lamp branden, om te kunnen zien als ik des nachts wat noodig mogt hebben, en ging naar bed. Maar voor ik mij nederlegde, deed ik wat ik nog nimmer had gedaan, ik viel op mijne knieën, en bad God zijne belofte gestand te doen, en mij te bevrijden als ik Hem aanriep in den dag der benaauwing. Na dit afgebroken en onvolkomen gebed dronk ik den rum, waarin ik den tabak had geweekt, die zoo scherp en sterk van den tabak was, dat ik hem naauwelijks kon inzwelgen. Onmiddellijk daarop ging ik naar bed, en vond dat de rum mij geweldig naar het hoofd steeg, maar ik viel in een diepen slaap en werd niet weder wakker voor het, naar de zon te zien, drie uren in den namiddag van den volgenden dag was; ja, ik geloof zelfs, dat ik nog een dag en een nacht langer sliep, want anders weet ik niet hoe ik uit mijne rekening een dag had kunnen verliezen, gelijk het eenige jaren later bleek, dat ik gedaan had, want had ik een verkeerd merk op mijn almanak gezet, dan zou ik meer dagen verloren hebben. Dit zij zoo het wil, toen ik wakker werd was ik uiterst verkwikt, en mijn geest vlug en opgeruimd. Toen ik opstond was ik veel beter dan den vorigen dag en mijne maag ook, want ik had honger en om kort te gaan ik had den volgenden dag geene koorts, maar bleef aan de beterhand. Dit was den 29en. Den 30en was het mijn vrije dag, en ik ging met mijn geweer uit, maar had geen lust om ver te loopen. Ik schoot een paar zeevogels, naar ganzen gelijkende, maar had weinig lust er van te proeven, dus at ik eenige schildpadeijeren, die zeer goed waren. Dezen avond nam ik weder dat geneesmiddel in, dat naar ik meende mij den vorigen keer goed gedaan had, namelijk tabak in rum gelegd, maar minder sterk dan de vorige reis, ook kaauwde of rookte ik ze niet. Echter was ik den volgenden dag, den 1 Julij, zoo goed niet als ik gehoopt had, want ik had eene koortsige huivering, schoon niet veel.
In the interval of this operation I took up the Bible and began to read; but my head was too much disturbed with the tobacco to bear reading, at least at that time; only, having opened the book casually, the first words that occurred to me were these, “Call on Me in the day of trouble, and I will deliver thee, and thou shalt glorify Me.” These words were very apt to my case, and made some impression upon my thoughts at the time of reading them, though not so much as they did afterwards; for, as for being _delivered_, the word had no sound, as I may say, to me; the thing was so remote, so impossible in my apprehension of things, that I began to say, as the children of Israel did when they were promised flesh to eat, “Can God spread a table in the wilderness?” so I began to say, “Can God Himself deliver me from this place?” And as it was not for many years that any hopes appeared, this prevailed very often upon my thoughts; but, however, the words made a great impression upon me, and I mused upon them very often. It grew now late, and the tobacco had, as I said, dozed my head so much that I inclined to sleep; so I left my lamp burning in the cave, lest I should want anything in the night, and went to bed. But before I lay down, I did what I never had done in all my life—I kneeled down, and prayed to God to fulfil the promise to me, that if I called upon Him in the day of trouble, He would deliver me. After my broken and imperfect prayer was over, I drank the rum in which I had steeped the tobacco, which was so strong and rank of the tobacco that I could scarcely get it down; immediately upon this I went to bed. I found presently it flew up into my head violently; but I fell into a sound sleep, and waked no more till, by the sun, it must necessarily be near three o’clock in the afternoon the next day—nay, to this hour I am partly of opinion that I slept all the next day and night, and till almost three the day after; for otherwise I know not how I should lose a day out of my reckoning in the days of the week, as it appeared some years after I had done; for if I had lost it by crossing and recrossing the line, I should have lost more than one day; but certainly I lost a day in my account, and never knew which way. Be that, however, one way or the other, when I awaked I found myself exceedingly refreshed, and my spirits lively and cheerful; when I got up I was stronger than I was the day before, and my stomach better, for I was hungry; and, in short, I had no fit the next day, but continued much altered for the better. This was the 29th. The 30th was my well day, of course, and I went abroad with my gun, but did not care to travel too far. I killed a sea-fowl or two, something like a brandgoose, and brought them home, but was not very forward to eat them; so I ate some more of the turtle’s eggs, which were very good. This evening I renewed the medicine, which I had supposed did me good the day before—the tobacco steeped in rum; only I did not take so much as before, nor did I chew any of the leaf, or hold my head over the smoke; however, I was not so well the next day, which was the first of July, as I hoped I should have been; for I had a little spice of the cold fit, but it was not much.
2 Julij. Ik gebruikte het geneesmiddel weder op alle drie de wijzen, en bedwelmde mij gelijk de eerste reis, en verdubbelde de hoeveelheid drank.
_July_ 2.—I renewed the medicine all the three ways; and dosed myself with it as at first, and doubled the quantity which I drank.
3 Julij. Ik was de koorts voor goed kwijt, schoon ik eerst verscheidene weken later mijne vorige krachten terug ontving. Gedurende mijne herstelling vestigden mijne gedachten zich dikwijls op de woorden der H. Schrift: Ik zal u bevrijden, en de onmogelijkheid mijner bevrijding drukte mij te zeer ter neder, om die te durven verwachten. Maar, terwijl ik mij met deze gedachten pijnigde, schoot het mij te binnen, dat ik mij zoo zeer kwelde met het denkbeeld mijner bevrijding van dit eiland, dat ik geheel vergat, dat ik als door een wonder van mijne ziekte bevrijd was geworden, uit den jammerlijksten toestand, en die mij zoo veel schrik had ingeboezemd. Welke aandacht had ik daarop geslagen ? Hoe had ik mij hierin gedragen ? God had mij bevrijd, maar ik had Hem niet verheerlijkt, dat is te zeggen, ik had mijne bevrijding niet aan Hem alleen toegeschreven, en Hem daarvoor gedankt. Dit trof mij tot in de ziel, en dadelijk knielde ik neder, en dankte God met luider stem voor mijne herstelling uit mijne ziekte.
_July_ 3.—I missed the fit for good and all, though I did not recover my full strength for some weeks after. While I was thus gathering strength, my thoughts ran exceedingly upon this Scripture, “I will deliver thee”; and the impossibility of my deliverance lay much upon my mind, in bar of my ever expecting it; but as I was discouraging myself with such thoughts, it occurred to my mind that I pored so much upon my deliverance from the main affliction, that I disregarded the deliverance I had received, and I was as it were made to ask myself such questions as these—viz. Have I not been delivered, and wonderfully too, from sickness—from the most distressed condition that could be, and that was so frightful to me? and what notice had I taken of it? Had I done my part? God had delivered me, but I had not glorified Him—that is to say, I had not owned and been thankful for that as a deliverance; and how could I expect greater deliverance? This touched my heart very much; and immediately I knelt down and gave God thanks aloud for my recovery from my sickness.
4 Julij. In den ochtend nam ik den bijbel op, en met het Nieuwe Testament beginnende, zette ik mij ernstig aan het lezen, en stelde mij ten taak er elken morgen en avond eene poos in te lezen, zonder mij aan een vast getal hoofdstukken te binden, maar zoo lang als mij gepast scheen. Niet lang nadat ik hieraan begonnen was, vond ik mijn hart diep ter nedergeslagen over de ongeregtigheden van mijn vroeger leven. De indruk van mijn droom werd weder levendig, en de woorden: " Al deze dingen hebben u niet tot berouw kunnen brengen, " stonden mij ernstig voor den geest. Ik smeekte God vurig mij tot berouw te stemmen, toen ik op denzelfden dag op de woorden stiet: " Hij is tot een Vorst en Middellaar verheven, om berouw en verzoening aan te brengen. " Ik legde het boek neder, en verhief zoo wel mijn hart als mijne handen ten Hemel, terwijl ik in vervoering uitriep: " o, Jezus, zoon van David; verheven Vorst en Middellaar, wil mij berouw schenken. "
_July_ 4.—In the morning I took the Bible; and beginning at the New Testament, I began seriously to read it, and imposed upon myself to read a while every morning and every night; not tying myself to the number of chapters, but long as my thoughts should engage me. It was not long after I set seriously to this work till I found my heart more deeply and sincerely affected with the wickedness of my past life. The impression of my dream revived; and the words, “All these things have not brought thee to repentance,” ran seriously through my thoughts. I was earnestly begging of God to give me repentance, when it happened providentially, the very day, that, reading the Scripture, I came to these words: “He is exalted a Prince and a Saviour, to give repentance and to give remission.” I threw down the book; and with my heart as well as my hands lifted up to heaven, in a kind of ecstasy of joy, I cried out aloud, “Jesus, thou son of David! Jesus, thou exalted Prince and Saviour! give me repentance!”
Dit was, naar ik zeggen kan, de eerste maal in mijn geheele leven dat ik, in den waren zin des woords, bad, want thans bad ik met een waar besef van mijn toestand, en met eene ware Christelijke hoop, en van dien tijd af, mag ik zeggen, begon ik te hopen dat God mij verhooren zou. Nu begon ik de woorden: " Roep mij aan en ik zal u verlossen, in een geheel anderen zin dan vroeger op te vatten, want ik had geenerlei denkbeeld van eenige andere bevrijding, dan die uit mijne gevangenschap; want schoon ik hier werkelijk ruimte genoeg had, was dit eiland toch voor mij eene gevangenis, in den ongunstigsten zin des woords; maar thans begon ik dit op eene andere wijze op te vatten. Nu zag ik met zulk een afschuw op mijn vorig leven terug, en kwamen mijne zonden mij zoo vreesselijk voor, dat mijne ziel van God alleen bevrijding smeekte van den last der schuld, die mij geheel ter neder drukte. Mijn eenzaam leven was niets, hierbij vergeleken, ik dacht er zelfs niet aan, om bevrijding daarvan te smeeken. " Ik zeg dit hier, om mijnen lezers te bewijzen, dat zoo zij ooit een regt inzigt van de waarheid verkrijgen, zij de bevrijding der zonde een veel grooter zegen zullen bevinden, dan de bevrijding van ellenden. Doch ik keer terug tot mijn journaal.
This was the first time I could say, in the true sense of the words, that I prayed in all my life; for now I prayed with a sense of my condition, and a true Scripture view of hope, founded on the encouragement of the Word of God; and from this time, I may say, I began to hope that God would hear me. Now I began to construe the words mentioned above, “Call on Me, and I will deliver thee,” in a different sense from what I had ever done before; for then I had no notion of anything being called _deliverance_, but my being delivered from the captivity I was in; for though I was indeed at large in the place, yet the island was certainly a prison to me, and that in the worse sense in the world. But now I learned to take it in another sense: now I looked back upon my past life with such horror, and my sins appeared so dreadful, that my soul sought nothing of God but deliverance from the load of guilt that bore down all my comfort. As for my solitary life, it was nothing. I did not so much as pray to be delivered from it or think of it; it was all of no consideration in comparison to this. And I add this part here, to hint to whoever shall read it, that whenever they come to a true sense of things, they will find deliverance from sin a much greater blessing than deliverance from affliction. But, leaving this part, I return to my Journal.
Mijn toestand, ofschoon nog altijd mijne levenswijze rampzalig was, begon mij thans dragelijker te worden; en mijne gedachten werden door het bestendig lezen der H. Schrift en aanhoudend gebed, tot zaken van hoogeren aard geleid. Ik bezat thans eene groote mate van vertroosting, die ik voorheen niet kende. Bovendien trachtte ik, toen mijne gezondheid en krachten terugkeerden, mij allerlei noodwendigheden te verschaffen, en zoo geregeld te leven als ik kon.
My condition began now to be, though not less miserable as to my way of living, yet much easier to my mind: and my thoughts being directed, by a constant reading the Scripture and praying to God, to things of a higher nature, I had a great deal of comfort within, which till now I knew nothing of; also, my health and strength returned, I bestirred myself to furnish myself with everything that I wanted, and make my way of living as regular as I could.
Van den 4 tot 14 Julij was ik hoofdzakelijk aan het doen van korte wandelingen, met mijn geweer in de hand, geëvenredigd naar mijn zwakken toestand. Het geneesmiddel, dat ik gebruikt had, was nieuw, en nimmer misschien te voren had het iemand van de koorts verlost, ook zou ik het niet gaarne iemand aanbevelen, want schoon het mij van de koorts bevrijdde, bleef ik nog lang zwak, en had dikwijls zenuwachtige trekkingen in mijne leden gedurende eene poos. Ik leerde hierbij tevens, dat niets mij nadeeliger was dan in het regenachtig saizoen uit te gaan, vooral bij die regens, die met zware stormen gepaard gingen; als er regen in het drooge jaargetij viel, was er altijd zware storm bij.
From the 4th of July to the 14th I was chiefly employed in walking about with my gun in my hand, a little and a little at a time, as a man that was gathering up his strength after a fit of sickness; for it is hardly to be imagined how low I was, and to what weakness I was reduced. The application which I made use of was perfectly new, and perhaps which had never cured an ague before; neither can I recommend it to any to practise, by this experiment: and though it did carry off the fit, yet it rather contributed to weakening me; for I had frequent convulsions in my nerves and limbs for some time. I learned from it also this, in particular, that being abroad in the rainy season was the most pernicious thing to my health that could be, especially in those rains which came attended with storms and hurricanes of wind; for as the rain which came in the dry season was almost always accompanied with such storms, so I found that rain was much more dangerous than the rain which fell in September and October.
CHAPTER VII—AGRICULTURAL EXPERIENCE
Ik was nu meer dan tien maanden op dit ongelukkig eiland geweest; alle vooruitzigt op bevrijding uit mijn toestand scheen geheel verdwenen; en ik geloofde vast, dat nimmer dit land vroeger door eens menschen voet betreden was geworden. Mijne woning was thans geheel naar mijn zin in orde, en ik verlangde zeer het eiland geheel en al te doorzoeken, en te zien wat het opleverde, buiten hetgeen ik reeds kende.
I had now been in this unhappy island above ten months. All possibility of deliverance from this condition seemed to be entirely taken from me; and I firmly believe that no human shape had ever set foot upon that place. Having now secured my habitation, as I thought, fully to my mind, I had a great desire to make a more perfect discovery of the island, and to see what other productions I might find, which I yet knew nothing of.
Den 15 Julij begon ik mijne ontdekkingsreis. Ik ging eerst langs de kreek, waarin ik, gelijk ik gezegd heb, mijne vlotten aan wal had gebragt. Na omtrent een half uur gegaan te zijn, vond ik dat het getij niet hooger liep, en dat het slechts een beekje van loopend water, zeer frisch en goed, was; doch daar het thans het drooge saizoen was, was er hier en daar naauwelijks water in, althans niet genoeg om het te doen vloeijen. Aan de banken van deze beek vond ik verscheidene zeer fraaije, effene vlakten en met gras bedekt, en waar de grond opliep, en die door het water waarschijnlijk nimmer overstroomd werd, vond ik veel tabak, die tot een zwaren, sterken stengel opschoot. Ook verscheidene andere heesters die ik niet kende, en misschien zeer goede eigenschappen hadden, doch dit was mij onbekend. Ik zocht naar de cassave, waarvan de Indianen overal hun brood bereiden, maar vond deze niet. Ik zag groote aloë's, doch die waren mij toen onbekend; ook veel suikerriet, doch wild, bij gebrek aan kweeking. Ik stelde mij hiermede voor ' s hands tevreden, en keerde terug, peinzende over de middelen, om de deugd of het schadelijke van vruchten of planten, die ik vinden mogt, te ontdekken; maar kon hierop niets vinden, want ik had in Brazilië hierop zoo weinig acht geslagen, dat ik weinig kennis van de planten had, althans geene die mij thans te stade kwam.
It was on the 15th of July that I began to take a more particular survey of the island itself. I went up the creek first, where, as I hinted, I brought my rafts on shore. I found after I came about two miles up, that the tide did not flow any higher, and that it was no more than a little brook of running water, very fresh and good; but this being the dry season, there was hardly any water in some parts of it—at least not enough to run in any stream, so as it could be perceived. On the banks of this brook I found many pleasant savannahs or meadows, plain, smooth, and covered with grass; and on the rising parts of them, next to the higher grounds, where the water, as might be supposed, never overflowed, I found a great deal of tobacco, green, and growing to a great and very strong stalk. There were divers other plants, which I had no notion of or understanding about, that might, perhaps, have virtues of their own, which I could not find out. I searched for the cassava root, which the Indians, in all that climate, make their bread of, but I could find none. I saw large plants of aloes, but did not understand them. I saw several sugar-canes, but wild, and, for want of cultivation, imperfect. I contented myself with these discoveries for this time, and came back, musing with myself what course I might take to know the virtue and goodness of any of the fruits or plants which I should discover, but could bring it to no conclusion; for, in short, I had made so little observation while I was in the Brazils, that I knew little of the plants in the field; at least, very little that might serve to any purpose now in my distress.
Den volgenden dag, den 16den, ging ik denzelfden weg, doch iets verder dan den vorigen dag. Ik vond dat de beek en de weiden hier eindigden, en het land boschachtiger werd dan vroeger. Hier vond ik verschillende vruchten, in het bijzonder meloenen, in menigte op den grond liggen, en druiven aan de takken. De wijngaarden hadden zich over de takken geslingerd en de trossen waren thans in volle rijpheid. Dit was eene aangename ontdekking, die mij zeer verheugde, doch de ondervinding had mij geleerd er matig van te eten, want ik herinnerde mij, dat ik tijdens mijn verblijf in Barbarije, er vele Engelsche slaven had zien sterven aan buikloop en koortsen, door te veel druiven te eten. Ik bedacht echter een uitmuntend gebruik van deze druiven, namelijk ze te droogen, en als rozijnen te gebruiken, welke ik meende, gelijk ook inderdaad het geval was, dat even heilzaam en aangenaam zouden zijn, als er geene druiven waren. Ik bragt den geheelen avond daar door, en ging niet naar mijne woning terug om te slapen, en dit was, mag ik zeggen, de eerste maal dat ik buiten ' s huis sliep.
The next day, the sixteenth, I went up the same way again; and after going something further than I had gone the day before, I found the brook and the savannahs cease, and the country become more woody than before. In this part I found different fruits, and particularly I found melons upon the ground, in great abundance, and grapes upon the trees. The vines had spread, indeed, over the trees, and the clusters of grapes were just now in their prime, very ripe and rich. This was a surprising discovery, and I was exceeding glad of them; but I was warned by my experience to eat sparingly of them; remembering that when I was ashore in Barbary, the eating of grapes killed several of our Englishmen, who were slaves there, by throwing them into fluxes and fevers. But I found an excellent use for these grapes; and that was, to cure or dry them in the sun, and keep them as dried grapes or raisins are kept, which I thought would be, as indeed they were, wholesome and agreeable to eat when no grapes could be had.
Ik ging des avonds weder als de eerste maal op een boom, waar ik zeer goed sliep, en den volgenden morgen ging ik weder op ontdekking uit, en legde bijkans vier (Eng. ) mijlen af, gelijk ik naar de lengte van het dal rekenen mag. Ik hield regt noordwaarts aan, met eene reeks van heuvelen ten zuiden en noorden van mij.
I spent all that evening there, and went not back to my habitation; which, by the way, was the first night, as I might say, I had lain from home. In the night, I took my first contrivance, and got up in a tree, where I slept well; and the next morning proceeded upon my discovery; travelling nearly four miles, as I might judge by the length of the valley, keeping still due north, with a ridge of hills on the south and north side of me.
Aan het einde van dezen togt kwam ik aan eene opene vlakte, waar het land naar het westen scheen af te dalen; terwijl een beekje van zoet water, dat uit de zijde van een heuvel naast mij ontsproot, den anderen weg, dat is vlak oostwaarts liep, en het land scheen zoo frisch, zoo bloeijend, zoo groen, daar alles in het lentegroen stond, dat het naar een beplanten lusttuin geleek. Ik daalde een weinig naar de zijde van die bekoorlijke vallei af, en overzag het met een heimelijk genoegen (schoon er ook treurige denkbeelden bij mij opwelden ) als ik bedacht, dat dit alles mijn eigendom was; dat ik buiten alle tegenspraak koning en heer van dit geheele land was, en regt op deszelfs bezit had, en zoo ik het slechts kon overbrengen, het even goed erfelijk zou bezitten, als eenig edelman zijne heerlijkheid. Ik zag hier eene menigte kokos-, oranje-, limoen- en citroenboomen, doch allen wild, en althans tegenwoordig, weinig vrucht dragende. De groene limmetjes, die ik bijeenzamelde, waren echter niet alleen lekker maar ook zeer gezond, en naderhand mengde ik hun sap met water, waardoor het zeer gezond, koel en verfrisschend was. Ik vond hier werk genoeg en besloot een voorraad aan te leggen van druiven, zoo wel als van limmetjes en limoenen, om mij te voorzien voor het regenachtig jaargetij, hetwelk ik wist dat naderde.
At the end of this march I came to an opening where the country seemed to descend to the west; and a little spring of fresh water, which issued out of the side of the hill by me, ran the other way, that is, due east; and the country appeared so fresh, so green, so flourishing, everything being in a constant verdure or flourish of spring that it looked like a planted garden. I descended a little on the side of that delicious vale, surveying it with a secret kind of pleasure, though mixed with my other afflicting thoughts, to think that this was all my own; that I was king and lord of all this country indefensibly, and had a right of possession; and if I could convey it, I might have it in inheritance as completely as any lord of a manor in England. I saw here abundance of cocoa trees, orange, and lemon, and citron trees; but all wild, and very few bearing any fruit, at least not then. However, the green limes that I gathered were not only pleasant to eat, but very wholesome; and I mixed their juice afterwards with water, which made it very wholesome, and very cool and refreshing. I found now I had business enough to gather and carry home; and I resolved to lay up a store as well of grapes as limes and lemons, to furnish myself for the wet season, which I knew was approaching.
Te dien tijd legde ik hier een grooten hoop druiven, en op eene andere plaats een kleineren, en een grooten voorraad limmetjes op eene derde, en trok met eenigen van elk naar huis, en besloot met een mand of zak terug te keeren, om het overige naar huis te brengen. Ik kwam dus te huis, na drie dagen uit geweest te zijn, maar voor dien tijd waren de druiven, die overrijp waren, gebroken, en dus nergens goed voor; doch de limmetjes waren zeer goed, hoewel er weinig waren. Den volgenden dag den 19den, ging ik terug met twee zakken, die ik gemaakt had, om mijn oogst te huis te halen; maar ik stond geheel verbaasd, toen ik bij mijne druiven komende, die geheel verstrooid, vertrapt, en ginds en herwaarts gesleept, en grootendeels opgegeten vond. Ik besloot hieruit, dat daar ergens wilde dieren waren, die dezen roof gepleegd hadden, schoon ik niet wist welke. Daar ik vond dat ik ze niet op hoopen leggen kon, en niet in een zak wegdragen, daar ze hierbij vertrapt worden of aan stukken gaan zouden, sloeg ik een anderen weg in; want ik verzamelde eene menigte druiven, en hing die aan de uiteinden der takken, om ze in de zon te laten droogen; en van de limmetjes en limoenen nam ik zoo veel mede als ik dragen kon.
In order to do this, I gathered a great heap of grapes in one place, a lesser heap in another place, and a great parcel of limes and lemons in another place; and taking a few of each with me, I travelled homewards; resolving to come again, and bring a bag or sack, or what I could make, to carry the rest home. Accordingly, having spent three days in this journey, I came home (so I must now call my tent and my cave); but before I got thither the grapes were spoiled; the richness of the fruit and the weight of the juice having broken them and bruised them, they were good for little or nothing; as to the limes, they were good, but I could bring but a few. The next day, being the nineteenth, I went back, having made me two small bags to bring home my harvest; but I was surprised, when coming to my heap of grapes, which were so rich and fine when I gathered them, to find them all spread about, trod to pieces, and dragged about, some here, some there, and abundance eaten and devoured. By this I concluded there were some wild creatures thereabouts, which had done this; but what they were I knew not. However, as I found there was no laying them up on heaps, and no carrying them away in a sack, but that one way they would be destroyed, and the other way they would be crushed with their own weight, I took another course; for I gathered a large quantity of the grapes, and hung upon the out-branches of the trees, that they might cure and dry in the sun; and as for the limes and lemons, I carried as many back as I could well stand under.
Toen ik van deze reis te huis kwam, herdacht ik met veel genoegen, de vruchtbaarheid van dit dal en deszelfs aangename ligging, de veiligheid voor stormen aan die zijde van het water en van het bosch; en ik begreep thans dat ik eene plek tot mijn verblijf had uitgekozen, die verreweg de slechtste van het geheele eiland was. Over het geheel begon ik aan eene verplaatsing van mijne woning te denken, en naar eene plek te zoeken, even veilig als waar ik thans was, zoo mogelijk in dat aangename, vruchtbare gedeelte des eilands.
When I came home from this journey, I contemplated with great pleasure the fruitfulness of that valley, and the pleasantness of the situation; the security from storms on that side of the water, and the wood: and concluded that I had pitched upon a place to fix my abode which was by far the worst part of the country. Upon the whole, I began to consider of removing my habitation, and looking out for a place equally safe as where now I was situate, if possible, in that pleasant, fruitful part of the island.
Dit was langen tijd een geliefkoosd denkbeeld van mij, uithoofde van de aangenaamheid dezer streek; maar toen ik het nader overwoog, bedacht ik dat ik thans aan de zeekust was, waar het althans mogelijk was, dat iets tot mijn voordeel zou kunnen gebeuren, en hetzelfde onheil dat mij hierheen had gebragt, eenige andere ongelukkigen daar zou kunnen brengen. En schoon het naauwelijks mogelijk was dat het ooit zou gebeuren, zou ik echter door mij tusschen de heuvels en boschaadjen in het midden des eilands op te sluiten, mijne gevangenschap verlengen, en eene zoodanige gebeurtenis niet alleen onwaarschijnlijk, maar zelfs onmogelijk maken. Ik begreep dus in geen geval te moeten verhuizen. Om echter een middelweg te kiezen, begreep ik hier eene soort van lusthuis aan te leggen, en dit te omringen met eene dubbele heining, zoo sterk en hoog als ik die maken kon, met palen versterkt en met takken en loof opgevuld. Hier sliep ik veilig, soms twee of drie nachten achtereen, terwijl ik er altoos met eene ladder overklom, zoodat ik thans begreep mijne buitenplaats en mijn woonhuis aan de zeekust te hebben. Dit werk hield mij tot in het begin van Augustus bezig.
This thought ran long in my head, and I was exceeding fond of it for some time, the pleasantness of the place tempting me; but when I came to a nearer view of it, I considered that I was now by the seaside, where it was at least possible that something might happen to my advantage, and, by the same ill fate that brought me hither might bring some other unhappy wretches to the same place; and though it was scarce probable that any such thing should ever happen, yet to enclose myself among the hills and woods in the centre of the island was to anticipate my bondage, and to render such an affair not only improbable, but impossible; and that therefore I ought not by any means to remove. However, I was so enamoured of this place, that I spent much of my time there for the whole of the remaining part of the month of July; and though upon second thoughts, I resolved not to remove, yet I built me a little kind of a bower, and surrounded it at a distance with a strong fence, being a double hedge, as high as I could reach, well staked and filled between with brushwood; and here I lay very secure, sometimes two or three nights together; always going over it with a ladder; so that I fancied now I had my country house and my sea-coast house; and this work took me up to the beginning of August.
Ik had pas mijne heining voltooid, toen het regensaizoen inviel, en mij in mijn eerste woning deed blijven, want schoon ik elders ook eene tent van een zeil gemaakt, en dit zeer goed uitgespannen had, was ik hier toch niet door een heuvel voor de stormen beschut, en had geen kelder achter mij, waarin ik bij zware slagregens de vlugt kon nemen. Tegen het begin van Augustus had ik, gelijk ik zeide, mijn lusthuis voltooid, en had het genoegen het te bewonen. Den 3 Augustus vond ik dat de druiven, die ik opgehangen had, volkomen gedroogd door de zon en zeer goede rozijnen geworden waren. Ik begon ze dus af te nemen en te goeder ure, want de regen zou ze anders spoedig bedorven en mij van het beste deel van mijn wintervoorraad beroofd hebben; want ik had meer dan tweehonderd trossen, die ik naauwelijks had afgenomen of het begon te regenen, en van den 14 Augustus tot het midden van October, had ik elken dag meer of minder regen; somtijds zoo zwaar, dat ik verscheidene dagen mijn kelder niet verlaten kon.
I had but newly finished my fence, and began to enjoy my labour, when the rains came on, and made me stick close to my first habitation; for though I had made me a tent like the other, with a piece of a sail, and spread it very well, yet I had not the shelter of a hill to keep me from storms, nor a cave behind me to retreat into when the rains were extraordinary. About the beginning of August, as I said, I had finished my bower, and began to enjoy myself. The 3rd of August, I found the grapes I had hung up perfectly dried, and, indeed, were excellent good raisins of the sun; so I began to take them down from the trees, and it was very happy that I did so, for the rains which followed would have spoiled them, and I had lost the best part of my winter food; for I had above two hundred large bunches of them. No sooner had I taken them all down, and carried the most of them home to my cave, than it began to rain; and from hence, which was the 14th of August, it rained, more or less, every day till the middle of October; and sometimes so violently, that I could not stir out of my cave for several days.
In dien tijd werd ik verrast met de vermeerdering van mijn huisgezin. Ik had veel spijt gehad van een mijner katten, die weggeloopen, en hier of daar naar ik dacht gestorven zou zijn; maar op zekeren dag kwam zij met drie jongen te huis. Dit bevreemdde mij te meer omdat, hoewel ik een wilde kat geschoten had, deze eene geheel andere soort dan onze Europesche katten was; de jonge katjes waren echter in alles aan onze huiskatten gelijk. Van deze drie katten kwam echter naderhand zulk eene talrijke nakomelingschap, dat deze eene ware plaag voor mij werd, en ik genoodzaakt was ze dood te schieten, en zoo ver mogelijk van huis te jagen.
In this season I was much surprised with the increase of my family; I had been concerned for the loss of one of my cats, who ran away from me, or, as I thought, had been dead, and I heard no more tidings of her till, to my astonishment, she came home about the end of August with three kittens. This was the more strange to me because, though I had killed a wild cat, as I called it, with my gun, yet I thought it was quite a different kind from our European cats; but the young cats were the same kind of house-breed as the old one; and both my cats being females, I thought it very strange. But from these three cats I afterwards came to be so pestered with cats that I was forced to kill them like vermin or wild beasts, and to drive them from my house as much as possible.
Van den 14 tot den 26 Augustus regende het onophoudelijk, zoodat ik niet kon uitgaan; want ik was thans zeer bezorgd niet nat te worden. Terwijl ik aldus opgesloten was, werd mijn voedsel schraal; doch tweemaal waagde ik het buiten te gaan, en den eersten dag doodde ik eene geit, en den tweeden (den 26 ) vond ik een zeer groote schildpad, dat voor mij eene ware lekkernij was. Mijne maaltijden waren thans de volgende. Ik at een tros rozijnen voor mijn ontbijt, een stuk gebraden geiten- of schildpadvleesch (want ik had ongelukkig geen vaatwerk om in te koken of te stoven ) voor mijn middagmaal, en twee of drie schildpadeijeren maakten mijn avondmaal uit.
From the 14th of August to the 26th, incessant rain, so that I could not stir, and was now very careful not to be much wet. In this confinement, I began to be straitened for food: but venturing out twice, I one day killed a goat; and the last day, which was the 26th, found a very large tortoise, which was a treat to me, and my food was regulated thus: I ate a bunch of raisins for my breakfast; a piece of the goat’s flesh, or of the turtle, for my dinner, broiled—for, to my great misfortune, I had no vessel to boil or stew anything; and two or three of the turtle’s eggs for my supper.
In dien tijd werkte ik alle dagen twee of drie uren aan het verwijden van mijn kelder, en delfde die langzamerhand van eene zijde uit, tot ik aan de buitenzijde van den heuvel kwam, en daar een uitgang maakte, die buiten mijn heining of muur uitkwam, en waardoor ik in en uit kon gaan. Doch zoo geheel open te leggen beviel mij maar half, want terwijl ik te voren gezorgd had, geheel afgesloten te zijn, lag ik thans eenigzins open, hoewel ik geen levend wezen gezien had, waarvoor ik behoefde te vreezen, want het grootste dier dat ik op het eiland had bespeurd was eene geit.
During this confinement in my cover by the rain, I worked daily two or three hours at enlarging my cave, and by degrees worked it on towards one side, till I came to the outside of the hill, and made a door or way out, which came beyond my fence or wall; and so I came in and out this way. But I was not perfectly easy at lying so open; for, as I had managed myself before, I was in a perfect enclosure; whereas now I thought I lay exposed, and open for anything to come in upon me; and yet I could not perceive that there was any living thing to fear, the biggest creature that I had yet seen upon the island being a goat.
Den 30 September. Het was thans de ongelukkige verjaardag van mijne aankomst. Ik telde de kerven op mijn staak, en vond dat ik driehonderd vijfenzestig dagen aan land was geweest. Ik beschouwde dezen dag als een feestdag, en bragt dien door in godsdienstige overdenkingen. Ik wierp mij met de opregtste nederigheid neder, beleed mijne zonden aan God, en erkende de regtvaardigheid zijner oordeelen jegens mij, en smeekte hem om genade door Jezus Christus; en na den geheelen dag tot na den ondergang der zon gevast te hebben, at ik eene beschuit en een tros rozijnen, ging naar bed en besloot den dag, gelijk ik dien begonnen had, met het gebed. Ik had al dien tijd geen zondag gehouden, want daar ik in den beginne geenszins godsdienstig gestemd was, had ik vergeten den zevenden dag door eene langere kerf op te teekenen, zoo dat ik niet wist welke dag het was. Nu ik echter vond, dat ik daar een jaar geweest was, verdeelde ik dit in weken en rekende elken zevenden dag voor een zondag; schoon ik bij het einde mijner rekening vond, dat ik een paar dagen verloren had. Kort daarop begon de inkt mij te ontbreken, en ik gebruikte die dus meer spaarzaam en alleen om het merkwaardigste wat mij gebeurde op te teekenen, zonder een journaal te blijven houden.
_Sept._ 30.—I was now come to the unhappy anniversary of my landing. I cast up the notches on my post, and found I had been on shore three hundred and sixty-five days. I kept this day as a solemn fast, setting it apart for religious exercise, prostrating myself on the ground with the most serious humiliation, confessing my sins to God, acknowledging His righteous judgments upon me, and praying to Him to have mercy on me through Jesus Christ; and not having tasted the least refreshment for twelve hours, even till the going down of the sun, I then ate a biscuit-cake and a bunch of grapes, and went to bed, finishing the day as I began it. I had all this time observed no Sabbath day; for as at first I had no sense of religion upon my mind, I had, after some time, omitted to distinguish the weeks, by making a longer notch than ordinary for the Sabbath day, and so did not really know what any of the days were; but now, having cast up the days as above, I found I had been there a year; so I divided it into weeks, and set apart every seventh day for a Sabbath; though I found at the end of my account I had lost a day or two in my reckoning. A little after this, my ink began to fail me, and so I contented myself to use it more sparingly, and to write down only the most remarkable events of my life, without continuing a daily memorandum of other things.
Ik leerde thans den tijd van het natte en drooge saizoen kennen, en trachtte mij voor derzelver komst van de vereischte noodwendigheden te voorzien. De ondervinding, die ik verkreeg, kwam mij echter soms duur te staan, vooral bij de navolgende gelegenheid, die de treurigste ondervinding was die ik opdeed.
The rainy season and the dry season began now to appear regular to me, and I learned to divide them so as to provide for them accordingly; but I bought all my experience before I had it, and this I am going to relate was one of the most discouraging experiments that I made.
Ik heb reeds gezegd, dat ik de weinige airen graan en rijst, die zoo verrassend, en naar ik eerst dacht, uit zichzelven opgeschoten waren, had bewaard, en ik geloof dat er ongeveer dertig rijst- en twintig graanhalmen waren, en nu achtte ik het, na het regenachtig jaargetij, de geschikte tijd dit te zaaijen. Ik spitte dus eene plek grond om, zoo goed ik kon, met mijne houten spade, en deelde die in twee deelen af om mijn graan te zaaijen; maar terwijl ik dit deed bedacht ik toevallig, dat ik beter zou doen het niet alles te gelijk te zaaijen, omdat ik niet wist of het de geschikte tijd er toe was; dus zaaide ik ongeveer twee derde gedeelten, en hield van ieder eene hand vol over. Het bleek naderhand, dat het zeer gelukkig was dat ik dit gedaan had, want van al wat ik gezaaid had, schoot thans niets op, zoo lang de thans volgende drooge maanden duurden; doch toen het natte jaargetijde weder gekomen was, schoot het op, alsof het pas gezaaid was geworden.
I have mentioned that I had saved the few ears of barley and rice, which I had so surprisingly found spring up, as I thought, of themselves, and I believe there were about thirty stalks of rice, and about twenty of barley; and now I thought it a proper time to sow it, after the rains, the sun being in its southern position, going from me. Accordingly, I dug up a piece of ground as well as I could with my wooden spade, and dividing it into two parts, I sowed my grain; but as I was sowing, it casually occurred to my thoughts that I would not sow it all at first, because I did not know when was the proper time for it, so I sowed about two-thirds of the seed, leaving about a handful of each. It was a great comfort to me afterwards that I did so, for not one grain of what I sowed this time came to anything: for the dry months following, the earth having had no rain after the seed was sown, it had no moisture to assist its growth, and never came up at all till the wet season had come again, and then it grew as if it had been but newly sown.
Toen ik vond dat mijn eerste zaaisel niet opschoot, schreef ik dit natuurlijk aan de droogte toe, en zocht eene vochtiger plek grond om het te beproeven; en spitte eene plek om nabij mijn nieuw lustverblijf. Hier zaaide ik het overige van mijn zaad in Februarij, kort voor de herfstevening, en daar dit de regenachtige maanden Maart en April had, om het te bewateren, schoot het welig op en leverde een goeden oogst, doch daar ik niet alles had durven zaaijen wat ik had, was dit toch nog slechts weinig. Deze proefneming had mij thans echter geleerd hoe te handelen; ik wist thans wanneer ik zaaijen moest, en dat ik jaarlijks tweemaal in plaats van eens zou kunnen oogsten.
Finding my first seed did not grow, which I easily imagined was by the drought, I sought for a moister piece of ground to make another trial in, and I dug up a piece of ground near my new bower, and sowed the rest of my seed in February, a little before the vernal equinox; and this having the rainy months of March and April to water it, sprung up very pleasantly, and yielded a very good crop; but having part of the seed left only, and not daring to sow all that I had, I had but a small quantity at last, my whole crop not amounting to above half a peck of each kind. But by this experiment I was made master of my business, and knew exactly when the proper season was to sow, and that I might expect two seed-times and two harvests every year.
Terwijl dit koorn groeide deed ik eene kleine ontdekking, die mij naderhand van nut was. Zoodra de regens over waren en het weder bestendig begon te worden, hetgeen tegen November was, ging ik landwaarts in, mijn buitenplaats een bezoek geven, en vond, ofschoon ik er in verscheidene maanden niet geweest was, alles juist zoo als ik het verlaten had. De dubbele heining was niet alleen stevig en gaaf, maar de staken, die ik van eenige boomen daar in den omtrek afgesneden had, waren allen met lange takken uitgeschoten, even als de wilgen, het eerste jaar nadat zij geknot zijn. Ik kon niet zeggen welke boom het was, waarvan deze staken gekapt waren; maar het was mij zeer aangenaam ze zoo te zien uitwassen. Ik leidde ze en gaf ze eene zoo gelijke rigting in het groeijen als mogelijk was, en het is naauwelijks te gelooven hoe schoon zij in drie jaren tijds opgroeiden, zoodat, ofschoon de heining een cirkel van ongeveer vijfentwintig ellen in doorsnede maakte, deze boomen zoo veel schaduw gaven, dat ik er in het drooge jaargetij volkomen door beschut werd. Dit deed mij besluiten nog eenige staken te kappen, en van deze in een halven cirkel een heining te maken rondom mijn oud verblijf, gelijk ik deed, en ik plaatste de takken in eene dubbele rij op ongeveer acht ellen afstands van mijn eerste heining; zij groeiden welig op, en waren eerst eene fraaije beschutting en naderhand zelfs eene verdediging voor mijne woning, gelijk ik later verhalen zal.
While this corn was growing I made a little discovery, which was of use to me afterwards. As soon as the rains were over, and the weather began to settle, which was about the month of November, I made a visit up the country to my bower, where, though I had not been some months, yet I found all things just as I left them. The circle or double hedge that I had made was not only firm and entire, but the stakes which I had cut out of some trees that grew thereabouts were all shot out and grown with long branches, as much as a willow-tree usually shoots the first year after lopping its head. I could not tell what tree to call it that these stakes were cut from. I was surprised, and yet very well pleased, to see the young trees grow; and I pruned them, and led them up to grow as much alike as I could; and it is scarce credible how beautiful a figure they grew into in three years; so that though the hedge made a circle of about twenty-five yards in diameter, yet the trees, for such I might now call them, soon covered it, and it was a complete shade, sufficient to lodge under all the dry season. This made me resolve to cut some more stakes, and make me a hedge like this, in a semi-circle round my wall (I mean that of my first dwelling), which I did; and placing the trees or stakes in a double row, at about eight yards distance from my first fence, they grew presently, and were at first a fine cover to my habitation, and afterwards served for a defence also, as I shall observe in its order.
Ik vond thans dat de jaargetijden hier niet, als in Europa, in zomer en winter, maar in het regenachtige en drooge jaargetij verdeeld moesten worden; als volgt:
I found now that the seasons of the year might generally be divided, not into summer and winter, as in Europe, but into the rainy seasons and the dry seasons, which were generally thus:
van half Februarij tot half April regen; daar de zon alsdan in of bij de evennachtslijn was; van half April tot half Augustus droogte, zijnde de zon dan benoorden de linie; van half Augustus tot half October regen; keerende de zon alsdan terug, en van half October tot half Februarij regen, zijnde de zon dan bezuiden de linie.
—The half of February, the whole of March, and the half of April—rainy, the sun being then on or near the equinox. The half of April, the whole of May, June, and July, and the half of August—dry, the sun being then to the north of the line. The half of August, the whole of September, and the half of October—rainy, the sun being then come back. The half of October, the whole of November, December, and January, and the half of February—dry, the sun being then to the south of the line.
Het regensaizoen duurde wat langer of korter naar gelang van den wind, doch over het algemeen was het gelijk ik hierboven gemeld heb. Nadat de ondervinding mij geleerd had hoe schadelijk het was mij aan den regen bloot te stellen, zorgde ik mij vooraf van levensmiddelen te voorzien, ten einde niet te behoeven uit te gaan, en ik bleef zoo veel mogelijk binnen in de regenmaanden. Ik had alsdan veel en gepast werk; want ik had dan de beste gelegenheid mij dingen aan te schaffen, die niet dan door handenarbeid en aanhoudende vlijt konden gelukken; ik beproefde bij voorbeeld dikwijls eene mand te vlechten; maar al de takken, die ik hiertoe vinden kon, waren zoo broos, dat zij mij niet dienen konden. Thans was het mij een groot voordeel, dat ik als een jongen dikwijls bij een mandemaker, die digt bij mijn vader woonde, had staan te zien naar zijn werk, en gelijk jongens zijn, had ik dan dikwijls gedienstig geweest om den man te helpen; en hierdoor wist ik zooveel van het mandemaken, dat mij slechts de grondstoffen ontbraken. Toen ik nu bedacht dat de takken van de boomen, waarvan ik mijne staken, die uitgeschoten waren, had gekapt, misschien buigzaam waren, als het wilgenrijs, besloot ik dit te beproeven.
The rainy seasons sometimes held longer or shorter as the winds happened to blow, but this was the general observation I made. After I had found by experience the ill consequences of being abroad in the rain, I took care to furnish myself with provisions beforehand, that I might not be obliged to go out, and I sat within doors as much as possible during the wet months. This time I found much employment, and very suitable also to the time, for I found great occasion for many things which I had no way to furnish myself with but by hard labour and constant application; particularly I tried many ways to make myself a basket, but all the twigs I could get for the purpose proved so brittle that they would do nothing. It proved of excellent advantage to me now, that when I was a boy, I used to take great delight in standing at a basket-maker’s, in the town where my father lived, to see them make their wicker-ware; and being, as boys usually are, very officious to help, and a great observer of the manner in which they worked those things, and sometimes lending a hand, I had by these means full knowledge of the methods of it, and I wanted nothing but the materials, when it came into my mind that the twigs of that tree from whence I cut my stakes that grew might possibly be as tough as the sallows, willows, and osiers in England, and I resolved to try.
Den volgenden dag ging ik dus naar mijne buitenplaats, en na eenig rijs afgesneden te hebben, vond ik het zoo lenig als ik wenschen kon; dus ging ik er den volgenden dag met eene bijl naar toe en kapte eene groote menigte. Deze zette ik binnen mijne heining overeind om te droogen, en bragt ze toen ze goed waren in mijn kelder. In de eerstvolgende regenmaanden hield ik mij nu bezig met een groote menigte manden te vlechten, om aarde in weg te dragen, of om het een en ander in te bewaren; en hoewel ik ze niet zeer fraai maakte, waren zij mij echter bij uitstek van dienst, en ik zorgde dus er altijd van voorzien te zijn, en toen zij oud werden, maakte ik nieuwe; vooral sterke diepe manden, om mijn koorn in te bewaren, in plaats van in zakken, als ik er meer van zou verkrijgen.
Accordingly, the next day I went to my country house, as I called it, and cutting some of the smaller twigs, I found them to my purpose as much as I could desire; whereupon I came the next time prepared with a hatchet to cut down a quantity, which I soon found, for there was great plenty of them. These I set up to dry within my circle or hedge, and when they were fit for use I carried them to my cave; and here, during the next season, I employed myself in making, as well as I could, a great many baskets, both to carry earth or to carry or lay up anything, as I had occasion; and though I did not finish them very handsomely, yet I made them sufficiently serviceable for my purpose; thus, afterwards, I took care never to be without them; and as my wicker-ware decayed, I made more, especially strong, deep baskets to place my corn in, instead of sacks, when I should come to have any quantity of it.
Na deze moeijelijkheid overwonnen te hebben, schoon ik er een ontzettenden tijd aan besteedde, trachtte ik zoo mogelijk in nog twee behoeften te voorzien. Ik had niets om vloeistoffen in te bewaren, dan een paar vaatjes, die bijkans vol rum waren, en eenige flesschen, sommigen gewone, anderen vierkante kelderflesschen. Ik had zelfs geen pot om iets in te koken, behalve een grooten ketel, dien ik uit het schip gered had, maar die te zwaar was voor het gebruik, dat ik er van maken wilde, namelijk om vleesch en soep in te koken. Het tweede, dat ik gaarne wenschte, was eene tabakspijp; maar het was mij onmogelijk die te maken; eindelijk echter vond ik iets uit om die te vervangen. Den geheelen zomer hield ik mij voorts bezig met dit mandenmaken en met het planten van mijne tweede rij staken, toen eene andere bezigheid mij meer tijd wegnam, dan ik dacht.
Having mastered this difficulty, and employed a world of time about it, I bestirred myself to see, if possible, how to supply two wants. I had no vessels to hold anything that was liquid, except two runlets, which were almost full of rum, and some glass bottles—some of the common size, and others which were case bottles, square, for the holding of water, spirits, &c. I had not so much as a pot to boil anything, except a great kettle, which I saved out of the ship, and which was too big for such as I desired it—viz. to make broth, and stew a bit of meat by itself. The second thing I fain would have had was a tobacco-pipe, but it was impossible to me to make one; however, I found a contrivance for that, too, at last. I employed myself in planting my second rows of stakes or piles, and in this wicker-working all the summer or dry season, when another business took me up more time than it could be imagined I could spare.
CHAPTER VIII—SURVEYS HIS POSITION
Ik heb reeds gezegd, dat ik zeer verlangde het geheele eiland te zien, en dat ik langs de beek getrokken was en zoo verder tot waar ik mijn buitenverblijf aanlegde; en vanwaar ik de zee had kunnen zien, aan de andere zijde van het eiland. Ik besloot nu aan dien kant dwars door te steken tot aan den zeekant; dus nam ik mijn geweer, eene bijl en mijn hond mede, en een grooter hoeveelheid kruid en kogels dan gewoonlijk, met een paar beschuiten en een tros rozijnen in mijn zak, en begon mijne reis. Toen ik het dal doorkwam, waar mijn lusthuis stond, zag ik de zee westwaarts, en daar het een zeer heldere dag was, ontdekte ik duidelijk land, hetzij een eiland of vast land, dat zich van het W. ten W. Z. W. tot op grooten afstand uitstrekte; naar mijne gissing kon het niet verder dan vijftien of twintig mijlen verwijderd zijn.
I mentioned before that I had a great mind to see the whole island, and that I had travelled up the brook, and so on to where I built my bower, and where I had an opening quite to the sea, on the other side of the island. I now resolved to travel quite across to the sea-shore on that side; so, taking my gun, a hatchet, and my dog, and a larger quantity of powder and shot than usual, with two biscuit-cakes and a great bunch of raisins in my pouch for my store, I began my journey. When I had passed the vale where my bower stood, as above, I came within view of the sea to the west, and it being a very clear day, I fairly descried land—whether an island or a continent I could not tell; but it lay very high, extending from the W. to the W.S.W. at a very great distance; by my guess it could not be less than fifteen or twenty leagues off.
Ik wist niet welk deel van de wereld dit anders zijn kon, dan een gedeelte van Amerika, en naar mijne berekeningen moest het nabij de Spaansche bezittingen zijn, en was welligt geheel bewoond door wilden, waarbij, zoo ik daar geland was, ik in een erger toestand zou geweest zijn dan in mijn tegenwoordigen, waarin ik nu de beschikking der Voorzienigheid erkende; welke ik thans begon te erkennen en te gelooven, dat alles ten beste schikte. Hiermede stelde ik mij tevreden, en het alle vruchtelooze wenschen, dat ik daar wezen mogt, varen.
I could not tell what part of the world this might be, otherwise than that I knew it must be part of America, and, as I concluded by all my observations, must be near the Spanish dominions, and perhaps was all inhabited by savages, where, if I had landed, I had been in a worse condition than I was now; and therefore I acquiesced in the dispositions of Providence, which I began now to own and to believe ordered everything for the best; I say I quieted my mind with this, and left off afflicting myself with fruitless wishes of being there.
Bovendien besloot ik, dat als dit land de Spaansche kust was, ik zeker den een of anderen tijd, eenig vaartuig her- of derwaarts zou zien trekken; maar zoo niet, dan was het de woeste kust tusschen de Spaansche landen en Brazilië; waar de ergste wilden wonen; want het zijn kannibalen of menscheneters, die alle menschen, welke hun in handen vallen, vermoorden en verslinden. Onder deze gedachten wandelde ik langzaam verder.
Besides, after some thought upon this affair, I considered that if this land was the Spanish coast, I should certainly, one time or other, see some vessel pass or repass one way or other; but if not, then it was the savage coast between the Spanish country and Brazils, where are found the worst of savages; for they are cannibals or men-eaters, and fail not to murder and devour all the human bodies that fall into their hands.
Ik vond, dat deze zijde van het eiland veel bekoorlijker was dan die waar mijne woning stond. De opene vlakten waren met bloemen en gras bedekt, en vol fraai houtgewas. Ik zag eene menigte papegaaijen en had er gaarne een willen vangen, om dien tam te maken en te leeren spreken. Na eenige moeite ving ik een jongen papegaai, dien ik met een stokslag nedervelde. Toen hij weder bijkwam, nam ik hem mede naar huis, maar het duurde eenige jaren alvorens hij leerde spreken. Eindelijk echter leerde ik hem mij zeer gemeenzaam bij mijn naam te noemen, en het gevolg hiervan, schoon eene beuzeling, zal later den lezer genoegen geven.
With these considerations, I walked very leisurely forward. I found that side of the island where I now was much pleasanter than mine—the open or savannah fields sweet, adorned with flowers and grass, and full of very fine woods. I saw abundance of parrots, and fain I would have caught one, if possible, to have kept it to be tame, and taught it to speak to me. I did, after some painstaking, catch a young parrot, for I knocked it down with a stick, and having recovered it, I brought it home; but it was some years before I could make him speak; however, at last I taught him to call me by name very familiarly. But the accident that followed, though it be a trifle, will be very diverting in its place.
Deze reis was mij zeer aangenaam. In de lage gronden vond ik hazen, althans ik hield ze daarvoor, en vossen; doch zij verschilden veel van de soorten, die ik gezien had; ook kon ik niet van mij verkrijgen er van te eten, schoon ik verscheidene schoot. Doch dit behoefde ook niet; want ik had geen gebrek aan zeer goed voedsel. Geiten, duiven en schildpadden, leverden met mijne rozijnen mij een maaltijd, dien ik in Engeland niet beter had kunnen verlangen, behalve wat het gezelschap betreft. En schoon mijn lot ongelukkig genoeg was, had ik groote reden tot dankbaarheid, dat mijn voedsel zoo overvloedig was.
I was exceedingly diverted with this journey. I found in the low grounds hares (as I thought them to be) and foxes; but they differed greatly from all the other kinds I had met with, nor could I satisfy myself to eat them, though I killed several. But I had no need to be venturous, for I had no want of food, and of that which was very good too, especially these three sorts, viz. goats, pigeons, and turtle, or tortoise, which added to my grapes, Leadenhall market could not have furnished a table better than I, in proportion to the company; and though my case was deplorable enough, yet I had great cause for thankfulness that I was not driven to any extremities for food, but had rather plenty, even to dainties.
Ik kwam op deze reis nimmer meer dan twee mijlen per dag in eene regte lijn vooruit; maar ik deed zoo vele uitstapjes ter zijde af, om iets te ontdekken, dat ik doodmoede was toen ik de plaats bereikte, waar ik den nacht wilde doorbrengen, en dan ging ik of in een boom zitten, of ik omringde mij met eene rij van staken, die ik op den grond of van den eenen boom tot den anderen plaatste, zoodat geen wild dier mij kon bereiken, zonder mij wakker te maken.
I never travelled in this journey above two miles outright in a day, or thereabouts; but I took so many turns and re-turns to see what discoveries I could make, that I came weary enough to the place where I resolved to sit down all night; and then I either reposed myself in a tree, or surrounded myself with a row of stakes set upright in the ground, either from one tree to another, or so as no wild creature could come at me without waking me.
Toen ik aan de zeekust kwam, werd ik gewaar, dat het lot mij op de ongunstigste zijde van het eiland geworpen had; want hier was het strand met eene menigte schildpadden bedekt, terwijl ik aan de andere zijde er slechts drie in anderhalf jaar gevonden had. Ook was hier eene onnoembare menigte vogels van allerlei aard, van welke ik sommigen vroeger en sommigen nimmer gezien had, en waarvan vele zeer goed om te eten waren, maar van welke ik alleen de pinguïns kende.
As soon as I came to the sea-shore, I was surprised to see that I had taken up my lot on the worst side of the island, for here, indeed, the shore was covered with innumerable turtles, whereas on the other side I had found but three in a year and a half. Here was also an infinite number of fowls of many kinds, some which I had seen, and some which I had not seen before, and many of them very good meat, but such as I knew not the names of, except those called penguins.
Ik had er zoo veel kunnen schieten als ik wilde, maar ik was zeer zuinig met mijn kruid en lood, en derhalve wenschte ik liever eene geit te schieten daar meer aan te eten was. Schoon hier meer geiten waren dan aan mijne zijde van het eiland, kon ik haar echter moeijelijker genaken, omdat het land zoo vlak en effen was, en zij mij veel spoediger zagen dan als ik op de heuvels was. Hoezeer nu deze kant van het land veel aangenamer dan de mijne was, had ik toch niet den minsten lust daarheen te verhuizen; want ik was thans in mijne woning te huis, en het scheen mij toe alsof ik thans op reis was en van mijn huis af. Ik trok echter langs de zeekust, naar gissing twaalf (Eng. ) mijlen, en zette daar een grooten staak op het strand tot eene baak; waarna ik besloot naar huis te keeren, en de volgende maal een togt te doen, oostwaarts van mijn woning, en zoo het eiland rond, tot ik weder op deze plaats kwam waar ik den staak gezet had.
I could have shot as many as I pleased, but was very sparing of my powder and shot, and therefore had more mind to kill a she-goat if I could, which I could better feed on; and though there were many goats here, more than on my side the island, yet it was with much more difficulty that I could come near them, the country being flat and even, and they saw me much sooner than when I was on the hills. I confess this side of the country was much pleasanter than mine; but yet I had not the least inclination to remove, for as I was fixed in my habitation it became natural to me, and I seemed all the while I was here to be as it were upon a journey, and from home. However, I travelled along the shore of the sea towards the east, I suppose about twelve miles, and then setting up a great pole upon the shore for a mark, I concluded I would go home again, and that the next journey I took should be on the other side of the island east from my dwelling, and so round till I came to my post again.
Ik sloeg een anderen weg in om huiswaarts te keeren, denkende dat ik gemakkelijk het geheele eiland zou kunnen overzien, en mijn weg niet missen; maar hierin vergiste ik mij, want toen ik een half uur afgelegd had, bevond ik mij in een diep dal, dat door heuvels met geboomte bezet, omringd was, zoodat ik mijn weg alleen houden kon door mij naar de zon te rigten, en dit was nog moeijelijk, tenzij ik den juisten stand der zon op dat uur van den dag kende. Tot mijn ongeluk werd het weder bovendien mistig, gedurende de drie of vier dagen die ik in dit dal doorbragt, en daar ik de zon niet zien kon, bragt ik dezelve zeer onaangenaam door, en was eindelijk verpligt naar het strand terug te keeren, mijne baak op te zoeken, en langs denzelfden weg dien ik gegaan had, terug te keeren. Ik deed dit met kleine dagreizen, daar het zeer heet was, en mijn geweer, ammunitie, bijl en andere dingen een zware last waren.
I took another way to come back than that I went, thinking I could easily keep all the island so much in my view that I could not miss finding my first dwelling by viewing the country; but I found myself mistaken, for being come about two or three miles, I found myself descended into a very large valley, but so surrounded with hills, and those hills covered with wood, that I could not see which was my way by any direction but that of the sun, nor even then, unless I knew very well the position of the sun at that time of the day. It happened, to my further misfortune, that the weather proved hazy for three or four days while I was in the valley, and not being able to see the sun, I wandered about very uncomfortably, and at last was obliged to find the seaside, look for my post, and come back the same way I went: and then, by easy journeys, I turned homeward, the weather being exceeding hot, and my gun, ammunition, hatchet, and other things very heavy.
Op deze reis verraste mijn hond eene jonge geit; ik schoot toe, en het gelukte mij het dier nog levend te redden. Ik wilde het gaarne naar huis brengen, want ik had lang gewenscht een paar geiten op te kweeken en zoo mogelijk eene kudde te bekomen, om mij tot voedsel te dienen als al mijn kruid en lood op was. Ik maakte een halsband voor het beestje, en met een touw, dat ik altijd bij mij droeg, voerde ik het, schoon niet zonder moeite mede, tot aan mijn buitenverblijf, waar ik het in de heining achterliet, want ik verlangde zeer naar mijn huis, waarvan ik thans eene maand afwezig was geweest.
In this journey my dog surprised a young kid, and seized upon it; and I, running in to take hold of it, caught it, and saved it alive from the dog. I had a great mind to bring it home if I could, for I had often been musing whether it might not be possible to get a kid or two, and so raise a breed of tame goats, which might supply me when my powder and shot should be all spent. I made a collar for this little creature, and with a string, which I made of some rope-yam, which I always carried about me, I led him along, though with some difficulty, till I came to my bower, and there I enclosed him and left him, for I was very impatient to be at home, from whence I had been absent above a month.
Ik kan niet zeggen met welk genoegen ik dit weder bereikte en in mijne hangmat liggen ging. Deze kleine zwerftogt, zonder eenig vast verblijf, was mij zoo onaangenaam geweest, dat mijn huis, zoo als ik het noemde, mij daarbij vergeleken, eene volmaakte woning toescheen. Ik had zoo veel genoegen daar, dat ik besloot er nimmer weder zulk een tijd, zoo lang ik op het eiland was, mij van te verwijderen.
I cannot express what a satisfaction it was to me to come into my old hutch, and lie down in my hammock-bed. This little wandering journey, without settled place of abode, had been so unpleasant to me, that my own house, as I called it to myself, was a perfect settlement to me compared to that; and it rendered everything about me so comfortable, that I resolved I would never go a great way from it again while it should be my lot to stay on the island.
Ik bragt eene week door met van mijne vermoeijenissen uit te rusten, en besteedde gedurende dezelve mijn tijd aan het gewigtig werk om een kooi voor mijne papegaai te maken, die nu meer tam en reeds zeer aan mij gewoon werd. Daarna begon ik aan het geitje te denken, dat ik in mijne kleine heining had achtergelaten; ik besloot het te huis te halen of eenig voedsel te brengen; ik ging er dus heen en vond het waar ik het gelaten had. Het kon er ook moeijelijk uit, want het was schier dood van honger. Ik sneed eenige takjes en heesters af en wierp haar die toe, en nadat zij gegeten had, wilde ik haar met een touw wegleiden; maar de honger had haar zoo tam gemaakt, dat zij mij volgde als een hond; en daar ik het altijd voederde, werd het zoo mak en vrolijk en aan mij gehecht, dat het ook tot mijne huisdieren behoorde, en mij naderhand nimmer verliet.
I reposed myself here a week, to rest and regale myself after my long journey; during which most of the time was taken up in the weighty affair of making a cage for my Poll, who began now to be a mere domestic, and to be well acquainted with me. Then I began to think of the poor kid which I had penned in within my little circle, and resolved to go and fetch it home, or give it some food; accordingly I went, and found it where I left it, for indeed it could not get out, but was almost starved for want of food. I went and cut boughs of trees, and branches of such shrubs as I could find, and threw it over, and having fed it, I tied it as I did before, to lead it away; but it was so tame with being hungry, that I had no need to have tied it, for it followed me like a dog: and as I continually fed it, the creature became so loving, so gentle, and so fond, that it became from that time one of my domestics also, and would never leave me afterwards.
De regentijd van de herfstevening was thans gekomen, en ik bragt den 30 September, den tweeden verjaardag dat ik hier aan land kwam, op dezelfde wijze als den eersten door. Ik was hier nu twee jaren geweest, en had geen meer vooruitzigt van bevrijd te worden dan den eersten dag toen ik hier kwam. Den geheelen dag bragt ik door in dankzeggingen over de vele genadebewijzen, mij in mijn eenzamen toestand te beurt gevallen. Ik dankte God dat Hij mij ontdekt had, dat ik zelfs in dezen toestand gelukkiger kon zijn dan in het midden der maatschappij en van al de genoegens der wereld, en mij het gebrek aan menschelijken omgang vergoedde door zijne tegenwoordigheid, en de uitstorting zijner genade op mijne ziel, mij steunende, troostende en bemoedigende door op zijne Voorzienigheid hier, en op zijn eeuwig bijzijn hier namaals te hopen.
The rainy season of the autumnal equinox was now come, and I kept the 30th of September in the same solemn manner as before, being the anniversary of my landing on the island, having now been there two years, and no more prospect of being delivered than the first day I came there, I spent the whole day in humble and thankful acknowledgments of the many wonderful mercies which my solitary condition was attended with, and without which it might have been infinitely more miserable. I gave humble and hearty thanks that God had been pleased to discover to me that it was possible I might be more happy in this solitary condition than I should have been in the liberty of society, and in all the pleasures of the world; that He could fully make up to me the deficiencies of my solitary state, and the want of human society, by His presence and the communications of His grace to my soul; supporting, comforting, and encouraging me to depend upon His providence here, and hope for His eternal presence hereafter.
Ik begon thans levendig te gevoelen hoe veel gelukkiger het leven was, dat ik thans leidde, met al de ongemakken daaraan verknocht, dan het slechte en ruwe gedrag, dat ik tot hiertoe geleid had. Mijne begeerten, genoegens en wenschen veranderden geheel bij hetgeen zij te voren geweest waren.
It was now that I began sensibly to feel how much more happy this life I now led was, with all its miserable circumstances, than the wicked, cursed, abominable life I led all the past part of my days; and now I changed both my sorrows and my joys; my very desires altered, my affections changed their gusts, and my delights were perfectly new from what they were at my first coming, or, indeed, for the two years past.
Vroeger, als ik uitging om te jagen of het land te onderzoeken, kon mijn jammer over mijn toestand eensklaps losbarsten, en mijn hart bezweek schier als ik dacht aan de bosschen, bergen en woestijnen, waarin ik mij bevond, en hoe ik door den Oceaan voor altijd in eene onbewoonde wildernis was geketend. Dan barstte ik soms in tranen uit als een kind, en wrong mij de handen. Somtijds te midden van mijn werk ging ik zitten, en staarde zuchtend een paar uren op den grond. Dit was het ergste, want als ik mijne borst in tranen en jammerklagten kon lucht geven, verminderde mijne neêrslagtigheid van lieverlede.
Before, as I walked about, either on my hunting or for viewing the country, the anguish of my soul at my condition would break out upon me on a sudden