Middle Dutch

Conjugate Verbs


  • Language: Middle Dutch
  • Alternate names: Diets, Middelnederlands
  • Language code: dum
  • Language family: Indo-European, Classical Indo-European, Germanic, Northwest Germanic, West Germanic, Macro-Dutch, Middle-Modern Dutch
  • Number of speakers: Extinct
  • Script: Latin script

More information:


    Middle Dutch is a collective name for a number of closely related West Germanic dialects (whose ancestor was Old Dutch) which were spoken and written between 1150 and 1500. There was at that time as yet no overarching standard language, but they were all mutually intelligible.

    The Middle Dutch verb

    Sample verb: keren

    Present Preterite Present Preterite
    Sg.1 kere keerde kere keerde -
    Sg.2 keers keerdes keers keerdes keer! / kere!
    Sg.3 kert keerde kere keerde -
    Pl.1 keren keerden keren keerden -
    Pl.2 keret keerdet keret keerdet keert! / keret!
    Pl.3 keren keerden keren keerden -


    achten, ademen, antworden, argeren, backen, baden, bannen, baren, barnen, barsten, becomen, bedanken, bedecken, bedenken, bederven, bedieden, bedienen, bedriegen, bedriven, bedroeven, beelden, begeten, begeven, beginnen, begraven, begripen, behelen, behouden, bekennen, bekinnen, belgen, benemen, beraden, bereiken, beren, bergen, bernen, bersten, beseiken, beseken, bespreken, beswiken, beteren, bevaen, bevelen, beven, bewanen, bidden, biden, bieden, binden, biten, blaken, blanden, blasen, blayen, bleken, bliken, blinken, bliven, bloeyen, blouwen, blusschen, bocken, boeten, boren, bouwen, braden, branden, breiden, breken, brengen, bringen, broeyen, brouwen, bruken, bueren, bugen, callen, cappen, castien, clagen, clappen, cleden, clemmen, cleven, clieven, climmen, clingen, cliven, cloppen, cloven, cnagen, cneden, cnielen, cnopen, coken, comen, commen, conden, connen, copen, couwen, craken, crayen, crayeren, crigen, crimpen, cringen, crischen, criten, crommen, cronen, cruden, crullen, crupen, cumen, cussen, dagen, dalen, danken, dansen, darven, decken, delen, delven, denken, deren, derschen, derven, dichten, dieden, dien, dienen, dingen, dinken, dinsen, doden, doen, dogen, dorren, dorven, douwen, doyen, dragen, draven, drayen, dreigen, drepen, driegen, dringen, drinken, driten, driven, droeven, drogen, dromen, drucken, duken, dunken, duren, dwaen, dwellen, dwinen, dwingen, edelen, eigen, eischen, enden, enigen, enten, eren, errisen, erven, eten, fniesen, gaderen, gaen, gebruken, gebueren, gedoen, gelden, geliken, gelingen, gellen, geloven, genemen, genesen, genieten, geschien, geschriven, gevallen, geven, gewagen, gewinnen, gewreken, gien, gieten, gliden, glimmen, gloeyen, gomen, gonnen, graven, grimmen, grinen, gripen, groeten, groeyen, grommen, hacken, handelen, hangen, hebben, hechten, heerschen, heffen, hekelen, helden, helen, hellen, helpen, helsen, heten, hinken, honen, hopen, horen, houden, houwen, hulen, hullen, huren, huwen, iken, innen, jagen, janken, jonnen, kegelen, kemmen, kennen, keren, kerven, kiesen, kiken, kinen, lachen, laden, laken, langen, laten, laven, lecken, leggen, leiden, leken, lenen, lengen, leren, lesen, lesschen, letten, leven, liden, liegen, lien, lieven, liggen, liken, limen, locken, loeyen, lonen, lopen, loven, loyen, luken, luusteren, maken, maledien, malen, mayen, melden, melken, menen, mengen, merken, mesprisen, mesraken, meten, micken, miden, migen, minen, misdoen, misprisen, misraken, missen, misvoeren, moeten, moeyen, mogen, naken, namen, nayen, neigen, nemen, nennen, nesen, niesen, nieten, nigen, nipen, niten, noemen, nomen, oeven, oken, ombieden, onnen, ontberen, ontbieden, ontbinden, ontfaermen, ontfaren, ontfarmen, ontsien, ontvaen, openen, osen, ouden, packen, pensen, pipen, pissen, plagen, planten, plegen, plien, ploegen, poten, prediken, prisen, proeven, putten, quedden, quelen, quellen, quiten, raden, raken, rapen, rasen, recken, redden, reden, regenen, reiken, reinen, reisen, reken, rekenen, richten, riden, rieken, rien, rigen, rimen, rinen, rinnen, risen, riten, roeken, roepen, roeyen, roken, rollen, roosten, rouwen, roven, rucken, ruken, rusten, sayen, schaken, schamen, schatten, schaven, scheiden, schelden, schenden, scheppen, scheren, scherpen, schicken, schien, schieten, schilderen, schinen, schiten, schonen, schoppen, schraven, schrewen, schricken, schriden, schrien, schriven, schroden, schudden, schulen, schuren, schuven, schuwen, seggen, seiken, seilen, senden, senken, setten, seven, severen, sieden, sien, sigen, sijn, singen, sinken, sitten, slachten, slaen, slapen, slicken, slinken, slipen, sliten, slopen, sluten, smeden, smeken, smelten, smerten, smiten, smugen, sniden, snuten, snuwen, soeken, sogen, sorgen, souten, spannen, spelen, spellen, sperren, spinnen, spiten, spliten, spoeden, spotten, spreken, springen, sproeyen, spruten, spuwen, staen, stappen, steken, stelen, stellen, stemmen, stenen, sterken, sterven, stichten, stigen, stinken, storen, stoten, straffen, stralen, strecken, stremmen, streven, striden, striken, striven, stromen, sturen, stuven, suchten, sugen, suken, sullen, supen, suveren, swelgen, swellen, swelten, swemmen, sweren, sweten, sweven, swigen, swiken, swinden, swingen, taken, talen, tebreken, tekenen, telen, tellen, temen, terden, teren, tien, timmeren, tonen, toveren, trachten, tracken, tranen, trecken, treden, trillen, trouwen, twivelen, vaen, vallen, varen, varwen, vasten, vechten, vegen, velen, vensen, verbieden, verbiten, vercopen, verdragen, verdrieten, vergelden, vergeten, vergeven, verhoeren, verliesen, vermaledien, vermalendien, vernemen, vernoyen, versaken, versamen, verstaen, verswigen, vervaren, verwerden, vieren, villen, vinden, visschen, vlaen, vlechten, vliegen, vlien, vlieten, vliten, vloeken, vloeyen, vloten, vluchten, voeden, voederen, voegen, voelen, voeren, volgen, volschriven, vormen, vorten, vouden, vrachten, vragen, vresen, vreten, vrien, vriesen, vruchten, vulen, vullen, vulschriven, wachten, waden, waernen, wagen, waken, walgen, walken, wallen, wandelen, wanden, wanen, wasschen, wassen, wayen, wecken, wederlonen, wegen, weken, wellen, welven, wenen, wenken, wenschen, werden, weren, werken, wernen, werpen, werren, werven, wesen, weten, weven, wien, wigen, wiken, willen, winden, winnen, wisen, wisschen, wisselen, witen, wonen, wouden, wreken, wringen, writen, wriven, wroegen, wroeten.

    External Links